Parlementaire vraag nr. 1064 van de heer Devlies van 20.03.2007
VRAAG 07/1064
Mondelinge vraag nr. 1064 van de heer Devlies dd. 20.03.2007
Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 1246, blz. 6-12
Internationale organisatie van belastingontwijking - Voorafgaande beslissing
VRAAG
Om vers kapitaal te verwerven kunnen vennootschappen kiezen tussen de uitgifte van aandelen of de uitgifte van obligaties. De financiering via aandelen vormt maatschappelijk kapitaal, de financiering via obligaties vormt schuld. Daartussenin ligt de mogelijkheid om zich te financieren via de inbreng van gelden door uitgifte van winstbewijzen. In de rechtsleer is er discussie over de vraag of het toegelaten is een effect te creëren dat alle kenmerken van een winstbewijs vertoont, maar niettemin geconstrueerd is als een louter verbintenisrechtelijke participatie, waarbij de vennootschap zich ertoe verbindt om in ruil voor een inbreng in geld een deel van de toekomstige winsten toe te kennen als vergoeding.
De kwalificatie van participatiecertificaten als verbintenisrechtelijke effecten laat toe om twee dwingende bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen (W. Venn.) te omzeilen: enerzijds de tijdelijke onverhandelbaarheid van winstbewijzen uitgegeven door vennootschappen die geen publiek beroep doen op het spaarwezen en anderzijds het uitzonderlijke stemrecht van de houders van winstbewijzen bij doelwijziging of bij wijziging van de rechten verbonden aan deze winstbewijzen.
Bovendien zou de uitgifte van participatiecertificaten ook mogelijk worden in andere vennootschapsvormen dan de nv en de commanditaire vennootschap op aandelen.
Er is natuurlijk wel een verschil in de beoordeling van de aard van de schuld: gelden ingebracht door de uitgifte van winstbewijzen worden gerekend bij het eigen vermogen, maar buiten het maatschappelijk vermogen, terwijl gelden ingebracht door uitgifte van obligaties bij het vreemd vermogen gerekend worden. Bij betalingsmoeilijkheden van de emittent gaan obligatiehouders daarom voor op winstbewijshouders.
Het is mij hier echter niet zozeer te doen om de belangen van de houders van effecten, maar om de manier waarop de vennootschap in haar financieringsbehoeften voorziet. Wat dat betreft is er een verschil tussen het verkrijgen van winstbewijzen en het verkrijgen van obligaties: alleen het verkrijgen van eigen winstbewijzen is beperkend gereglementeerd. Het verschil heeft betrekking op de afbouw van bedrijfskapitaal en niet op de vorming ervan bij uitgifte.
Het W. Venn. laat de emittent een grote vrijheid bij het bepalen van de uitgiftevoorwaarden van winstbewijzen. De vergoeding kan volledig afhankelijk gemaakt worden van de gerealiseerde winst en kan zowel in speciën als in aandelen uitgekeerd worden. De winstbewijzen kunnen converteerbaar zijn in aandelen, zijn vrij overdraagbaar vanaf hun volstorting en zijn op naam.
In ruling nr. 600.099 van 4 mei 2006 oordeelde de dienst Voorafgaande Beslissingen dat een obligatie die al deze kenmerken van een winstbewijs vertoonde, toch niet kon worden geherkwalificeerd op basis van artikel 344 §1 WIB92. Nochtans zijn de fiscale verschillen tussen een winstbewijs en een obligatie aanzienlijk. De winstgerelateerde coupon van een obligatie wordt gekwalificeerd als interest en vormt bijgevolg een aftrekbare kost; de winstgerelateerde coupon van een winstbewijs daarentegen is belastbaar.
Bovendien is de inbreng van geld door uitgifte van een winstbewijs belastbaar wanneer deze gelden niet op een afzonderlijke passiefrekening worden geboekt, als waarborg voor derden. Vennootschapsrechtelijk is deze voorwaarde onzinnig: logischerwijze zou elke inbreng van vermogen vrijgesteld moeten zijn van vennootschapsbelasting tijdens het bestaan van de vennootschap, waarbij het niet relevant is of het vermogen al dan niet onbeschikbaar is gesteld.
Wij wilden deze fiscale voorwaarde schrappen, maar de minister en de meerderheid hebben ons daarin niet gevolgd: onze amendementen in die zin werden verworpen.
De gelden ingebracht via de uitgifte van winstbewijzen, zullen mee in aanmerking genomen kunnen worden voor de aftrek van risicokapitaal. In de betwiste ruling is dit weinig relevant, omdat de betrokken vennootschap de vergoeding op de zogenaamde profit participation securities zo geconcipieerd heeft dat de hoge binnenkomende interest zoveel mogelijk geneutraliseerd wordt door een hoge uitgaande interest aan de houder van de winstdelende obligatie, waardoor de belastbare basis in België laag blijft. Dit zou waarschijnlijk niet mogelijk zijn na herkwalificatie als eigen vermogen ingebracht via de uitgifte van winstbewijzen.
In dit geval lijkt niets mij de herkwalificatie in de weg te staan. Het Hof van Cassatie heeft als voorwaarde gesteld dat de herkwalificatie dezelfde juridische gevolgen moet hebben als de verrichting die aan de fiscus wordt voorgelegd. De herkwalificatie van een winstdelende obligatie in een winstbewijs met bijna identiek dezelfde juridische gevolgen is mogelijk, onder voorbehoud van de bepalingen in verband met het uitzonderlijk stemrecht bij doelwijziging.
De enige reden om winstdelende effecten als obligaties te kwalificeren, is om belastingen te ontwijken. Het standpunt van de dienst Voorafgaande Beslissingen is zeer lucratief voor de Belgische emittent en maakt een internationaal georganiseerde belastingontwijking mogelijk. Het volstaat een land te zoeken waar men de coupon van de winstdelende obligatie kwalificeert als dividend. In België creëert de internationale groep fiscaal aftrekbare kosten, terwijl zij in het buitenland vrijgestelde dividenden verwerft. Zij passeert dus tweemaal aan de kassa. De rulingcommissie wast haar handen in onschuld door te zeggen dat een buitenlandse belastingadministratie niet verplicht is om met betrekking tot deze formule dezelfde fiscale kwalificatie te hanteren als de Belgische.
In een resolutie betreffende de belastingparadijzen stellen de heer Van der Maelen en consoorten de praktijk aan de kaak van multinationals die hun belastingdruk minimaliseren door hun winst te verschuiven naar belastingparadijzen. Ook het land dat betrokken is bij de constructie waar deze ruling betrekking op heeft, wordt door de indieners als een belastingparadijs bestempeld.
Zouden de indieners van deze resolutie, die allen deel uitmaken van de meerderheid, niet beter eerst hun aandacht richten op de rulingcommissie? Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat deze commissie twee maten en twee gewichten hanteert: in haar jaarverslag 2005 sluit zij de herkwalificatie van vruchtgebruikconstructies niet uit, wanneer er geen rechtmatige financiële of economische motieven voorhanden zijn. De commissie heeft er dus blijkbaar veel minder problemen mee om zakelijke en persoonlijke rechten op één hoopje te gooien. Als een herkwalificatie van een winstdelende obligatie in een winstbewijs onmogelijk is, dan is de herkwalificatie van een zakelijk in een persoonlijk recht dat eveneens. Multinationale ondernemingen worden bij de toepassing van art. 344 §1 WIB blijkbaar milder bejegend dan lokale vennootschappen.
Heeft de commissie in haar ruling nr. 600.099 de dwingende bepalingen van het vennootschapsrecht gerespecteerd? Wat is de motivatie voor de weigering om art. 344 §1 WIB toe te passen? Wat is het standpunt van de administratie van de belastingen? Schept deze beslissing geen precedent voor de toepassing van art. 344 §1 WIB?
ANTWOORD (van de heer Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën)
België heeft niet de wettelijke bepalingen om winstdelende achtergestelde leningen als eigen vermogen te beschouwen. Via hybride structuren en het gebruik van de verschillende kwalificaties in de nationale wetgevingen kan fiscale optimalisatie worden bewerkstelligd.
Wat het geval betreft waar de heer Devlies naar verwijst, heeft de rulingcommissie aan de hand van feitelijke gegevens beslist dat de voorgestelde structuur niet opnieuw kon worden gekwalificeerd op basis van artikel 344, §1 WIB 1992.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Wie is verantwoordelijk voor de beslissingen van de rulingcommissie? De ruling is niet volledig gepubliceerd.
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Dat is zo voor alle individuele dossiers.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Hoe kan worden gecontroleerd of de beslissingen conform de wetgeving zijn? Niemand heeft er belang bij naar de rechter te trekken, de klassieke administratie moet zwijgen en het Parlement heeft geen inzage in de dossiers. Er dreigt bijgevolg rechtsonzekerheid. Mag ik het individuele dossier inkijken? Ik verneem graag van de minister - de eindverantwoordelijke van de administratie - waarom de rulingcommissie deze beslissing heeft genomen. Gaat de klassieke administratie akkoord met de beslissing? Is ze conform de wetgeving?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Ja.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Dan moet de minister ze ook verdedigen, maar dat doet hij niet. Waarom is er niet opnieuw gekwalificeerd?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Ik ben niet van plan alle individuele beslissingen van mijn administratie te controleren. Het is het Parlement dat om welbepaalde redenen heeft beslist een rulingcommissie op te richten. Ik vermoed dat de vragen van de heren Devlies en Verherstraeten iets met de verkiezingscampagne te maken hebben.
CONCLUSIE (van de heer Devlies)
Er is een nieuwe dienst opgericht, maar daar bestaat blijkbaar geen enkele controle op. Wij hebben daarom een wetsvoorstel ingediend om een Comité F op te richten.
Er werd een beslissing genomen die niet strookt met de wet, maar de minister doet zelfs niet de moeite om de beslissing te verdedigen. Ik wil me niet bemoeien met individuele dossiers, maar controle is een voorwaarde voor een goede werking van de rulingcommissie.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Er zijn inmiddels artikelen gepubliceerd waarin staat dat voor winstdelende converterende obligatieleningen de interest aftrekbaar is. Door de beslissing van de rulingcommissie werd een nieuw principe gelanceerd, zonder wetgeving of controle van het Parlement. Als de minister, zoals nu blijkt, geen parlementaire controle wil, dan moet er een andere formule worden gezocht.
WEDERANTWOORD (van de voorzitter)
Indien de minister zou optreden in individuele dossiers, zouden tientallen interpellaties worden ingediend.
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Zo te zien botsen de zienswijzen hierover.
WEDERVRAAG (van de voorzitter)
De jurisprudentie schrijvende rechtbanken en commissies worden niet allemaal gecontroleerd zoals de heer Devlies het graag zou willen.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Waar kunnen beslissingen van de rulingcommissie worden aangevochten? Men kan zich voorstellen dat op basis van de bewuste beslissing een gelijkaardig dossier wordt ingediend, dat vervolgens door de commissie wordt geweigerd. Wie oefent daar toezicht op uit?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
De gewestelijk directeur heeft de wettelijke bevoegdheid om te beslissen. Dat kan voor de rechtbank aangevochten worden, maar de minister kan de individuele dossiers niet nakijken!
WEDERANTWOORD (van de voorzitter)
Parlementsleden of bedrijven die van oordeel zijn dat die commissie misbruik maakt van haar macht, kunnen een aanklacht indienen bij het gerecht.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Kan men tegen de beslissing van een gewestelijk directeur in beroep gaan bij de rechtbank?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Wie zal dat doen? Ik heb geen weet van gevallen waarin beroep werd aangetekend.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Kan de belastingplichtige zich tot de rechtbank wenden wanneer een aanvraag wordt geweigerd?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Er is een wet in dat verband.
CONCLUSIE (van de heer Devlies)
Om welke procedure gaat het? Het systeem is duidelijk niet sluitend.
Mondelinge vraag nr. 1064 van de heer Devlies dd. 20.03.2007
Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 1246, blz. 6-12
Internationale organisatie van belastingontwijking - Voorafgaande beslissing
VRAAG
Om vers kapitaal te verwerven kunnen vennootschappen kiezen tussen de uitgifte van aandelen of de uitgifte van obligaties. De financiering via aandelen vormt maatschappelijk kapitaal, de financiering via obligaties vormt schuld. Daartussenin ligt de mogelijkheid om zich te financieren via de inbreng van gelden door uitgifte van winstbewijzen. In de rechtsleer is er discussie over de vraag of het toegelaten is een effect te creëren dat alle kenmerken van een winstbewijs vertoont, maar niettemin geconstrueerd is als een louter verbintenisrechtelijke participatie, waarbij de vennootschap zich ertoe verbindt om in ruil voor een inbreng in geld een deel van de toekomstige winsten toe te kennen als vergoeding.
De kwalificatie van participatiecertificaten als verbintenisrechtelijke effecten laat toe om twee dwingende bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen (W. Venn.) te omzeilen: enerzijds de tijdelijke onverhandelbaarheid van winstbewijzen uitgegeven door vennootschappen die geen publiek beroep doen op het spaarwezen en anderzijds het uitzonderlijke stemrecht van de houders van winstbewijzen bij doelwijziging of bij wijziging van de rechten verbonden aan deze winstbewijzen.
Bovendien zou de uitgifte van participatiecertificaten ook mogelijk worden in andere vennootschapsvormen dan de nv en de commanditaire vennootschap op aandelen.
Er is natuurlijk wel een verschil in de beoordeling van de aard van de schuld: gelden ingebracht door de uitgifte van winstbewijzen worden gerekend bij het eigen vermogen, maar buiten het maatschappelijk vermogen, terwijl gelden ingebracht door uitgifte van obligaties bij het vreemd vermogen gerekend worden. Bij betalingsmoeilijkheden van de emittent gaan obligatiehouders daarom voor op winstbewijshouders.
Het is mij hier echter niet zozeer te doen om de belangen van de houders van effecten, maar om de manier waarop de vennootschap in haar financieringsbehoeften voorziet. Wat dat betreft is er een verschil tussen het verkrijgen van winstbewijzen en het verkrijgen van obligaties: alleen het verkrijgen van eigen winstbewijzen is beperkend gereglementeerd. Het verschil heeft betrekking op de afbouw van bedrijfskapitaal en niet op de vorming ervan bij uitgifte.
Het W. Venn. laat de emittent een grote vrijheid bij het bepalen van de uitgiftevoorwaarden van winstbewijzen. De vergoeding kan volledig afhankelijk gemaakt worden van de gerealiseerde winst en kan zowel in speciën als in aandelen uitgekeerd worden. De winstbewijzen kunnen converteerbaar zijn in aandelen, zijn vrij overdraagbaar vanaf hun volstorting en zijn op naam.
In ruling nr. 600.099 van 4 mei 2006 oordeelde de dienst Voorafgaande Beslissingen dat een obligatie die al deze kenmerken van een winstbewijs vertoonde, toch niet kon worden geherkwalificeerd op basis van artikel 344 §1 WIB92. Nochtans zijn de fiscale verschillen tussen een winstbewijs en een obligatie aanzienlijk. De winstgerelateerde coupon van een obligatie wordt gekwalificeerd als interest en vormt bijgevolg een aftrekbare kost; de winstgerelateerde coupon van een winstbewijs daarentegen is belastbaar.
Bovendien is de inbreng van geld door uitgifte van een winstbewijs belastbaar wanneer deze gelden niet op een afzonderlijke passiefrekening worden geboekt, als waarborg voor derden. Vennootschapsrechtelijk is deze voorwaarde onzinnig: logischerwijze zou elke inbreng van vermogen vrijgesteld moeten zijn van vennootschapsbelasting tijdens het bestaan van de vennootschap, waarbij het niet relevant is of het vermogen al dan niet onbeschikbaar is gesteld.
Wij wilden deze fiscale voorwaarde schrappen, maar de minister en de meerderheid hebben ons daarin niet gevolgd: onze amendementen in die zin werden verworpen.
De gelden ingebracht via de uitgifte van winstbewijzen, zullen mee in aanmerking genomen kunnen worden voor de aftrek van risicokapitaal. In de betwiste ruling is dit weinig relevant, omdat de betrokken vennootschap de vergoeding op de zogenaamde profit participation securities zo geconcipieerd heeft dat de hoge binnenkomende interest zoveel mogelijk geneutraliseerd wordt door een hoge uitgaande interest aan de houder van de winstdelende obligatie, waardoor de belastbare basis in België laag blijft. Dit zou waarschijnlijk niet mogelijk zijn na herkwalificatie als eigen vermogen ingebracht via de uitgifte van winstbewijzen.
In dit geval lijkt niets mij de herkwalificatie in de weg te staan. Het Hof van Cassatie heeft als voorwaarde gesteld dat de herkwalificatie dezelfde juridische gevolgen moet hebben als de verrichting die aan de fiscus wordt voorgelegd. De herkwalificatie van een winstdelende obligatie in een winstbewijs met bijna identiek dezelfde juridische gevolgen is mogelijk, onder voorbehoud van de bepalingen in verband met het uitzonderlijk stemrecht bij doelwijziging.
De enige reden om winstdelende effecten als obligaties te kwalificeren, is om belastingen te ontwijken. Het standpunt van de dienst Voorafgaande Beslissingen is zeer lucratief voor de Belgische emittent en maakt een internationaal georganiseerde belastingontwijking mogelijk. Het volstaat een land te zoeken waar men de coupon van de winstdelende obligatie kwalificeert als dividend. In België creëert de internationale groep fiscaal aftrekbare kosten, terwijl zij in het buitenland vrijgestelde dividenden verwerft. Zij passeert dus tweemaal aan de kassa. De rulingcommissie wast haar handen in onschuld door te zeggen dat een buitenlandse belastingadministratie niet verplicht is om met betrekking tot deze formule dezelfde fiscale kwalificatie te hanteren als de Belgische.
In een resolutie betreffende de belastingparadijzen stellen de heer Van der Maelen en consoorten de praktijk aan de kaak van multinationals die hun belastingdruk minimaliseren door hun winst te verschuiven naar belastingparadijzen. Ook het land dat betrokken is bij de constructie waar deze ruling betrekking op heeft, wordt door de indieners als een belastingparadijs bestempeld.
Zouden de indieners van deze resolutie, die allen deel uitmaken van de meerderheid, niet beter eerst hun aandacht richten op de rulingcommissie? Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat deze commissie twee maten en twee gewichten hanteert: in haar jaarverslag 2005 sluit zij de herkwalificatie van vruchtgebruikconstructies niet uit, wanneer er geen rechtmatige financiële of economische motieven voorhanden zijn. De commissie heeft er dus blijkbaar veel minder problemen mee om zakelijke en persoonlijke rechten op één hoopje te gooien. Als een herkwalificatie van een winstdelende obligatie in een winstbewijs onmogelijk is, dan is de herkwalificatie van een zakelijk in een persoonlijk recht dat eveneens. Multinationale ondernemingen worden bij de toepassing van art. 344 §1 WIB blijkbaar milder bejegend dan lokale vennootschappen.
Heeft de commissie in haar ruling nr. 600.099 de dwingende bepalingen van het vennootschapsrecht gerespecteerd? Wat is de motivatie voor de weigering om art. 344 §1 WIB toe te passen? Wat is het standpunt van de administratie van de belastingen? Schept deze beslissing geen precedent voor de toepassing van art. 344 §1 WIB?
ANTWOORD (van de heer Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën)
België heeft niet de wettelijke bepalingen om winstdelende achtergestelde leningen als eigen vermogen te beschouwen. Via hybride structuren en het gebruik van de verschillende kwalificaties in de nationale wetgevingen kan fiscale optimalisatie worden bewerkstelligd.
Wat het geval betreft waar de heer Devlies naar verwijst, heeft de rulingcommissie aan de hand van feitelijke gegevens beslist dat de voorgestelde structuur niet opnieuw kon worden gekwalificeerd op basis van artikel 344, §1 WIB 1992.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Wie is verantwoordelijk voor de beslissingen van de rulingcommissie? De ruling is niet volledig gepubliceerd.
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Dat is zo voor alle individuele dossiers.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Hoe kan worden gecontroleerd of de beslissingen conform de wetgeving zijn? Niemand heeft er belang bij naar de rechter te trekken, de klassieke administratie moet zwijgen en het Parlement heeft geen inzage in de dossiers. Er dreigt bijgevolg rechtsonzekerheid. Mag ik het individuele dossier inkijken? Ik verneem graag van de minister - de eindverantwoordelijke van de administratie - waarom de rulingcommissie deze beslissing heeft genomen. Gaat de klassieke administratie akkoord met de beslissing? Is ze conform de wetgeving?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Ja.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Dan moet de minister ze ook verdedigen, maar dat doet hij niet. Waarom is er niet opnieuw gekwalificeerd?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Ik ben niet van plan alle individuele beslissingen van mijn administratie te controleren. Het is het Parlement dat om welbepaalde redenen heeft beslist een rulingcommissie op te richten. Ik vermoed dat de vragen van de heren Devlies en Verherstraeten iets met de verkiezingscampagne te maken hebben.
CONCLUSIE (van de heer Devlies)
Er is een nieuwe dienst opgericht, maar daar bestaat blijkbaar geen enkele controle op. Wij hebben daarom een wetsvoorstel ingediend om een Comité F op te richten.
Er werd een beslissing genomen die niet strookt met de wet, maar de minister doet zelfs niet de moeite om de beslissing te verdedigen. Ik wil me niet bemoeien met individuele dossiers, maar controle is een voorwaarde voor een goede werking van de rulingcommissie.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Er zijn inmiddels artikelen gepubliceerd waarin staat dat voor winstdelende converterende obligatieleningen de interest aftrekbaar is. Door de beslissing van de rulingcommissie werd een nieuw principe gelanceerd, zonder wetgeving of controle van het Parlement. Als de minister, zoals nu blijkt, geen parlementaire controle wil, dan moet er een andere formule worden gezocht.
WEDERANTWOORD (van de voorzitter)
Indien de minister zou optreden in individuele dossiers, zouden tientallen interpellaties worden ingediend.
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Zo te zien botsen de zienswijzen hierover.
WEDERVRAAG (van de voorzitter)
De jurisprudentie schrijvende rechtbanken en commissies worden niet allemaal gecontroleerd zoals de heer Devlies het graag zou willen.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Waar kunnen beslissingen van de rulingcommissie worden aangevochten? Men kan zich voorstellen dat op basis van de bewuste beslissing een gelijkaardig dossier wordt ingediend, dat vervolgens door de commissie wordt geweigerd. Wie oefent daar toezicht op uit?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
De gewestelijk directeur heeft de wettelijke bevoegdheid om te beslissen. Dat kan voor de rechtbank aangevochten worden, maar de minister kan de individuele dossiers niet nakijken!
WEDERANTWOORD (van de voorzitter)
Parlementsleden of bedrijven die van oordeel zijn dat die commissie misbruik maakt van haar macht, kunnen een aanklacht indienen bij het gerecht.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Kan men tegen de beslissing van een gewestelijk directeur in beroep gaan bij de rechtbank?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Wie zal dat doen? Ik heb geen weet van gevallen waarin beroep werd aangetekend.
WEDERVRAAG (van de heer Devlies)
Kan de belastingplichtige zich tot de rechtbank wenden wanneer een aanvraag wordt geweigerd?
WEDERANTWOORD (van de heer Reynders)
Er is een wet in dat verband.
CONCLUSIE (van de heer Devlies)
Om welke procedure gaat het? Het systeem is duidelijk niet sluitend.
Bron: FisconetPlus
