Parlementaire vraag nr. 2851 van de heer Peter Vanvelthoven en vraag nr. 2879 van mevrouw Griet Smaers d.d. van 11.03.2015

Mondelinge parlementaire vragen nr. 2851 van de heer Peter Vanvelthoven en nr. 2879 van mevrouw Griet Smaers dd. 11.03.2015

Kamer, Integraal Verslag – Commissie voor de Financiën, 2014-2015 CRIV 54 COM 111 dd. 11.03.2015, blz. 25

Belastingvoordeel voor de tweede woning - Fiscale behandeling van de tweede woning

VRAAG (van de heer Vanvelthoven)

Toch wel. Vlaanderen heeft als eerste regio de woonbonus afgebouwd. In het Vlaams Gewest geeft de woonbonus nog recht op een belastingvermindering van 912 euro, of 40 % van de betaalde kapitaalaflossingen en intresten tot 2.280 euro. Dit bedrag bestaat uit een basisbedrag van 1.520 euro, met een verhoging van 760 euro gedurende de eerste tien jaar van de looptijd, zolang de woning de enige woning van de kredietnemer is. Als de kredietnemer dan toch leent voor de aankoop van een tweede woning, dan heeft hij geen recht meer op de woonbonus, wat mij logisch lijkt, maar toch levert dit een fiscaal voordeel op, want kapitaalaflossingen geven recht op een belastingvermindering voor het langetermijnsparen. Het tweede verblijf, het woord zegt het zelf, is in principe niet de hoofdverblijfplaats van de kredietnemer en ingevolge de zesde staatshervorming, die wij voor alle duidelijkheid goedgekeurd hebben, zijn de Gewesten hiervoor niet bevoegd. De federale overheid, wij met andere woorden, kent dan het fiscaal voordeel toe. Dat voordeel bedraagt 30 % van de kapitaalaflossingen tot maximaal 2.260 euro, of 678 euro per persoon per jaar. Dat is minder dan het voordeel van de Vlaamse woonbonus, maar naast deze vermindering zijn ook de intresten fiscaal aftrekbaar en die aftrek levert algauw meer dan 1.000 euro op. Op die manier kan het federale fiscaal voordeel voor een tweede woning fors hoger liggen dan het Vlaamse voordeel voor een eerste woning. Mijnheer de minister, bent u er zich van bewust, maar ik heb het ondertussen in de krant gelezen, dat er een belangrijke discrepantie bestaat tussen de fiscale voordelen op het vlak van de woonkredieten en dat jonge gezinnen die hun enige en eigen woning verwerven uiteindelijk minder fiscale voordelen genieten dan wie naast zijn eigen huis nog investeert in opbrengsteigendommen ? Bent u bereid stappen te ondernemen om deze in onze ogen onrechtvaardige situatie weg te werken door zelf initiatieven te nemen of door in gesprek te gaan met de Vlaamse regering ?

VRAAG (van mevrouw Smaers)

Nu nochtans wel, want ik zit hier met het zonlicht op mijn documenten en in mijn gezicht. Mijnheer de minister, de situatie is volgens mij wel heel duidelijk en werd deze week ook al enkele keren beschreven in de pers en onder de publieke aandacht gebracht. Blijkbaar zijn een aantal fiscalisten van oordeel dat de fiscale behandeling van de tweede en volgende woning, die na de zesde staatshervorming nog altijd een federale bevoegdheid is, een gunstiger fiscaal regime geniet dan de aftrek voor de enige eigen woning, wat na de zesde staatshervorming een gewestelijke bevoegdheid geworden is. Het klopt dat Vlaanderen ondertussen gebruikgemaakt heeft van haar fiscale autonomie. Gebruikmaken van de fiscale autonomie lijkt mij wel evident om een eigen beleid, vooral inzake wonen, integraal vorm te geven. Verschillende bevoegdheden inzake wonen bevonden zich immers al op Vlaams niveau en daar zijn nu de fiscale bevoegdheden rond het woonbeleid bijgekomen. Als Vlaanderen vindt dat die koers uitgezet moet worden, dan is dat een terechte keuze in het kader van de fiscale autonomie die Vlaanderen heeft. Vlaanderen heeft daarin een beslissing genomen, maar wij hebben altijd allemaal de optiek en de invalshoek gehad om de eerste en enige eigen woning fiscaal serieus te begunstigen ten opzichte van andere woningen, omdat de eerste en enige woning de gezinswoning is. In het kader van het betaalbaar woonbeleid is de fiscale bevoordeling van de enige eigen woning een heel relevante insteek. Nu een Gewest gebruikgemaakt heeft van zijn fiscale autonomie ter zake, stellen wij vast dat de federale regeling voor een tweede en volgende woning minder gunstig is. Daarom zijn er volgens mij redenen om ook op het federale niveau, waar de hefbomen zitten voor de tweede en volgende woning, de regels te herbekijken. Het lijkt mij nu het goede moment om die zaak aan te kaarten, aangezien in de komende maanden nog over de tax shift en over andere dossiers zal worden gesproken. Het nu voorliggend dossier kan worden meegenomen in de discussies over een rechtvaardigere fiscaliteit. Mijnheer de minister, ik heb deze week gelezen dat ook uw voorzitter spreekt over een rechtvaardige fiscaliteit. Met het oog op een rechtvaardigere fiscaliteit zouden er in dat dossier dan ook aanpassingen moeten gebeuren. Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Ten eerste, bent u ook van oordeel dat het verschil tussen de woonbonus en de aftrek voor het tweede verblijf moet worden aangepakt ? Indien ja, in welke maatregelen zult u dan voorzien om dit te verhelpen? Zult u hierover overleg plegen met de Vlaamse regering ? Ten tweede, is er volgens u een onrechtvaardigheid tussen personen die een eerste woning willen aanschaffen en verhuurders die meerdere woningen verhuren ? Indien ja, bent u van plan deze problematiek op te nemen in de aangekondigde tax shift en op welke manier ? Tot slot, wat is uw huidige timing voor de voorstellen inzake de tax shift ?

ANTWOORD (van de Minister)

Ik wil er allereerst op wijzen dat ik – na wat twee dagen geleden in de pers is verschenen – onmiddellijk de FOD Financiën naar de stand van zaken heb gevraagd. Als u dat wenst, zal ik die cijfers voorleggen op het ogenblik dat ze min of meer volledig zijn, maar blijkbaar is het heel complex en afhankelijk van de concrete situatie of de opgehangen redenering al dan niet klopt. Er zijn legio situaties waarbij hetgeen wordt aangehaald niet blijkt te kloppen. Dus, eens te meer, fiscaliteit is een complexe materie. Er zijn toch wel een aantal situaties waarin het voorkomend geval zich effectief voordoet. Ingevolge de zesde staatshervorming zijn de Gewesten vanaf aanslagjaar 2015 exclusief bevoegd voor het verlenen van belastingverminderingen en belastingkredieten voor uitgaven voor het verwerven of behouden van de eigen woning, de zogenaamde woonbonus. Na de inwerkingtreding van de zesde staatshervorming verschillen de korven en belastingverminderingen per Gewest voor leningen die worden aangegaan vanaf 1 januari 2015. De maximale korf bedraagt nu in Vlaanderen 2.360 euro, wordt niet geïndexeerd en het voordeel is een vast percentage van 40 %. In Wallonië bedraagt de korf 3.130 euro, wordt wel geïndexeerd en het voordeel bedraagt vast 40 %. In Brussel bedraagt de korf ook 3.130 euro, wordt er ook geïndexeerd en bedraagt het voordeel 45 %. De beslissing van twee van de drie Gewesten om het voordeel van de woonbonus af te bouwen voor leningen die vanaf 1 januari 2015 worden aangegaan, is een beslissing die past binnen hun bevoegdheden. Die maatregelen zijn niet in strijd met de federale loyauteit en geven ook geen aanleiding tot deloyale fiscale concurrentie. Het zal u allicht niet verbazen dat ik de autonomie van de Gewesten ten volle respecteer. Voor woningen die niet aan de voorwaarden van de woonbonus voldoen, meestal gaat het hier inderdaad om de tweede woning, is de korf op federaal niveau beperkt tot 2 260 euro en is het voordeel uniform 30 %. Bovendien worden in de korf eerst de gewestelijke voordelen aangerekend. Daarna volgt het federale voordeel. Dit zorgt ervoor dat wanneer een belastingplichtige twee woningen heeft en voor elke woning een lening, het voordeel voor de tweede woning meestal nihil is, omdat de korf is opgebruikt voor de eerste eigen woning. Ik stel vast dat het voordeel van de gewestelijke werkbonus in principe nog groter is dan het voordeel dat momenteel als federale belastingvermindering voor langetermijnsparen kan worden verleend. Naast de federale belastingvermindering voor langetermijnsparen voor kapitaalaflossingen en premies van een schuldsaldoverzekering is er ook nog de intrestaftrek. De regel waarbij betaalde intresten van onroerende inkomsten mogen worden afgetrokken, bestaat al enkele decennia. Tot de invoering van de woonbonus in 2005 werden de intresten ook in mindering gebracht van het belastbaar inkomen van de eigen woning. Met de invoering van de woonbonus werd de aftrek van intresten voor de eigen woning geschrapt en mee opgenomen in de globale korf en werd de vrijstelling van het inkomen van de eigen woning ingevoerd.

Indien ook het voordeel in rekening wordt gebracht van de algemene regel dat intresten voor onroerende leningen aftrekbaar kunnen zijn van de onroerende inkomsten, kan dit inderdaad een groter voordeel opleveren ten opzichte van de woonbonus. Dit is niet het gevolg van de staatshervorming, maar wel van de invoering van de woonbonus in 2005. Daarbij wil ik wel vermelden dat de zesde staatshervorming het reeds bestaande verschil ook niet verholpen heeft. Het betreft dus een problematiek met een zekere historiek. Over de federale fiscale voordelen zal binnen de federale regering ongetwijfeld verder worden nagedacht. Dat hebben de beide vraagstellers en zeker mevrouw Smaers goed ingeschat. Dit zal verder worden besproken in het kader van de op handen zijnde besprekingen met betrekking tot de begrotingscontrole en de tax shift, maar wel in die volgorde.

CONCLUSIE (van de heer Vanvelthoven)

Ik heb gisteren ook gezien in het Vlaams Parlement dat daar een brede consensus bestaat over het feit dat deze situatie onrechtvaardig aanvoelt. Dat strookt in elk geval niet met de intenties van de wetgever hier en op Vlaams niveau.

Ik wil er geen politiek spel van maken, maar de fiscale regelgeving van 2005 waarnaar u verwijst werd hier inderdaad goedgekeurd. De zesde staatshervorming werd hier inderdaad goedgekeurd. Het onevenwicht is echter het gevolg van het feit dat men de woonbonus in Vlaanderen op deze manier heeft afgebouwd. Nogmaals, ik wil hiervan geen politiek spel maken. Het ware misschien goed geweest, maar fiscale regelgeving is niet altijd gemakkelijk, als dezelfde partijen die het Vlaams regeerakkoord in het begin van de zomer hebben afgesloten en de afbouw van de woonbonus hebben afgesproken, de reflex zouden hebben gehad om dat onevenwicht in de gaten te houden bij de bespreking van het federaal regeerakkoord. Ik denk dat de boodschap van alle fracties in elk geval is dat dit moet worden aangepakt. Dit zal gezien de complexiteit ervan wel wat tijd vragen, maar wij kijken ernaar uit.

CONCLUSIE (van mevrouw Smaers)

Mijnheer de minister, ik begrijp dat dit dossier de volgende weken zal worden opgenomen. Wij kijken uit naar de beslissing die zal worden genomen.