Parlementaire vraag nr. 149 van de heer Benoît Piedboeuf van 15.01.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/012, d.d. 24.02.2020, blz. 161

Oplegging van een betwiste vergoeding bij een voorlopige tenuitvoerlegging. (MV 2374C)

VRAAG

Sinds de hervorming van het Gerechtelijk Wetboek zijn rechterlijke uitspraken in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad. Een kantonnement blijft toegestaan.

De moeilijkheid hierbij is dat de uitspraak in beroep in een ander aanslagjaar plaatsvindt dan het jaar van de voorlopige tenuitvoerlegging of van de uitspraak waartegen in beroep wordt gegaan. Gelet op de annuïteit van de belasting zal het voorlopig toegekende bedrag in de praktijk definitief worden belast, en indien de uitspraak in eerste aanleg wordt herzien, zal het brutobedrag moeten worden terugbetaald, terwijl slechts het nettobedrag werd ontvangen.

1. Vanaf wanneer juist wordt er een vergoeding toegekend in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging als de debiteur van de betwiste vergoeding hoger beroep aantekent tegen de eerste uitspraak?

2. Moet de toekenning van de vergoeding als effectief worden beschouwd, wat betekent dat de bedrijfsvoorheffing moet worden ingehouden bij de uitspraak van het vonnis waartegen er in hoger beroep wordt gegaan?

3. Moet de toekenning van de vergoeding in aanmerking worden genomen op het moment dat de schuldeiser van de betwiste vergoeding de voorlopige tenuitvoerlegging vraagt?

4. Staat het kantonnement de toekenning in de weg?

ANTWOORD

De wetswijzigingen van 19 oktober 2015 en 6 juli 2017 hebben artikel 1397 Gerechtelijk wetboek gewijzigd waardoor in principe de gerechtelijke beslissingen steeds voorlopige tenuitvoerlegging hebben.

Het voordeel van de voorlopige tenuitvoerlegging is geen verplichting voor de in het gelijkgestelde partij, het betreft enkel een mogelijkheid.

Wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis, dat aan de belastingplichtige een bezoldiging toekent, wordt uitgevoerd, houdt dit een betaling onder ontbindende voorwaarde in (voorwaarde die ontstaat bij de wijziging van de uitspraak door het beroep).

De belastingplichtige is echter belastbaar op de inkomsten die hij verkrijgt tijdens een belastbaar tijdperk (artikel 360 WIB 92). Het begrip "verkregen inkomsten" houdt in de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend tijdens dat tijdperk (artikel 204, 3°, b, KB/WIB 92).

De betaling of de toekenning bepalen ook de opeisbaarheid van de bedrijfsvoorheffing (artikel 273 WIB 92).

Het begrip betaling betekent de uitvoering door de schuldenaar van de verplichting zoals deze is waaraan hij is onderworpen (artikel 1235 en 1243 Burgerlijk wetboek).

Bijgevolg, wanneer de wijziging van het vonnis in beroep tot gevolg heeft dat de vroeger gedane betaling onverschuldigd is, blijft deze betaling een betaling op het ogenblik wanneer deze werd uitgevoerd (de onverschuldigde bezoldiging kan enkel worden teruggegeven wanneer deze voordien werd betaald, dit wil zeggen enkel worden teruggegeven wanneer men het voordeel ervan heeft genoten).

Een belastbare bezoldiging die werd betaald naar aanleiding van de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis, moet beschouwd worden als verkregen zoals bedoeld in artikel 360 WIB 92.

Het rechterlijk kantonnement is de mogelijkheid voor de schuldenaar om zich te bevrijden van wat hij verschuldigd is of om bewarend beslag te vermijden, door een toereikend bedrag te storten bij de deposito- en consignatiekas of in handen van een erkend sekwester (artikel 1403 Gerechtelijk wetboek).

Krachtens artikel 1404 Gerechtelijk wetboek geldt het kantonnement van een bedrag als betaling voor zover de beslagene erkent schuldenaar te zijn of als zodanig wordt erkend. Dit kantonnement geldt ook als betaling met terugwerkende kracht wanneer de veroordeling van de schuldenaar wordt bevestigd.

De betaling wordt dan ook geacht retroactief plaats te hebben gehad op het moment van het kantonnement (zie artikel 360 WIB 92).

Het rechterlijk kantonnement moet onderscheiden worden van het vrijwillig kantonnement dat ook in het kader van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis kan worden toegestaan: het eerste volgt uit het gerechtelijk wetboek, het tweede uit een vrijwillig akkoord tussen partijen.

Wanneer de overeenkomst tot kantonnement aan de schuldenaar een exclusief recht toekent op de geconsigneerde bedragen zoals dit het geval is bij een rechterlijk kantonnement, dan geldt een dergelijk kantonnement ook als een betaling met opschortende werking (Cass., 9 november 1990, Pas.,1991, I, p. 256). Een vrijwillig kantonnement kan ook worden beschouwd als een toekenning in de fiscale betekenis.

Opdat er sprake is van een toekenning, moet de begunstigde werkelijk over de inkomsten kunnen beschikken of wanneer dit niet het geval is, moeten deze bedragen onbeschikbaar zijn met het uitdrukkelijk of stilzwijgend akkoord van de begunstigde (Cass.,14 oktober 1993, F.J.F., nr. 94/55), wat het geval is wanneer de bedragen werden gekantonneerd door de wil van beide partijen.

Tot besluit:

Wanneer in geval van een voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis, de betaling van een bezoldiging aan de begunstigde wordt gedaan, doet dit de belasting ontstaan, ook wanneer er hoger beroep wordt ingesteld door de schuldenaar (antwoord op punt 1 van de vraag).

De betaalbaarstelling of de toekenning van de betwiste bezoldiging maakt dat de bedrijfsvoorheffing op dit inkomen opeisbaar is (artikel 273 WIB 92) (antwoord op punt 2 van de vraag).

Enkel de betaalbaarstelling of de toekenning zoals fiscaal bepaald, doet de belasting op het inkomen ontstaan (antwoord op punt 3 van de vraag).

Het kantonnement verhindert niet de toekenning, maar geldt, zoals hierboven uiteengezet, als betaling met opschortende werking tot de veroordeling van de schuldenaar (antwoord op punt 4 van de vraag).