Parlementaire vraag nr. 722 van de heer De Vlieghere van 24.09.1993

VRAAG 93/722

Vraag nr. 722 van de heer De Vlieghere dd. 24.09.1993


Bull. nr. 735, pag. 374

Inkomstenbelastingen - Bedrijfsvoorheffing - Buitenlandse artiesten.

De bedrijfsvoorheffing van 18 % op de gages van buitenlandse artiesten, ingevoerd als terechte maatregel om inkomstenbelastingen te heffen in de commerciële circuits, wordt ook toegepast in de niet- commerciële, zoals de jeugdhuiswerking. Dat brengt enerzijds een hoop werk met zich mee met administratieve formaliteiten. Anderzijds veroorzaakt de maatregel financiële problemen, want hij houdt in dat wat de overheid met de ene hand geeft aan subsidies, ze met de andere hand terugneemt.

1. Was het de expliciete bedoeling van de regering ook de niet- commerciële sector te treffen met die maatregel, of is dat een ongewenst neveneffect ?

2.



a)Kan dat probleem worden opgelost met reglementaire bepalingen, of zijn hiervoor wetswijzigingen nodig ?
b)In dat laatste geval : welke wijzigingen ?
3. Is de regering bereid zelf die veranderingen door te voeren, bijvoorbeeld voor de erkende jeugdhuizen ?

ANTWOORD

De bedrijfsvoorheffing op inkomsten die voortkomen uit in België persoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheden van niet-inwonende podiumkunstenaars is krachtens artikel 270, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals vervangen door artikel 33, 1°, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, verschuldigd door al degenen die dergelijke inkomsten als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon toekennen of betalen of bij ontstentenis daarvan door de organisator van de vertoningen.

Met die wetsbepaling heeft de wetgever elke vorm van ontwijking van belasting op die inkomsten willen ongedaan maken.