Parlementaire vraag nr. 23 van de heer Benoît Piedboeuf van 11.09.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/002 d.d. 08.11.2024, blz. 187
Vrijstelling van vennootschapsbelasting voor in het kader van het Belgische Plan voor Herstel en Veerkracht toegekende subsidies
VRAAG (van de heer Piedboeuf)
Subsidies kunnen vrijgesteld worden van vennootschapsbelasting voor zover de voorwaarden zoals bepaald in de artikelen 193bis of 193ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen vervuld zijn, te weten: - de subsidies worden door een gewestelijke instelling toegekend; - de subsidies bestaan uit: o tewerkstellings- of beroepsoverstappremies; o kapitaal- en interestsubsidies die door de gewesten in het kader van de economische-expansiewetgeving toegekend worden om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen; o een premie, kapitaal- en interestsubsidie voor immateriële en materiële vaste activa in het kader van de steun voor onderzoek en ontwikkeling. In 2016 oordeelde het Gentse hof van beroep (Gent, 17 mei 2016, rolnummer: 2015/AR/1126) dat het onderscheid in fiscale behandeling tussen een door de gewesten toegekende subsidie (die vrijgesteld is) en een door de gemeenschappen toegekende subsidie (die belastbaar is) niet discriminerend is voor zover de eerste een economisch oogmerk heeft, terwijl de tweede veeleer een cultureel oogmerk heeft. In de praktijk maken bepaalde door de gemeenschappen toegekende steunmaatregelen deel uit van het Belgische Plan voor Herstel en Veerkracht, dat op zijn beurt ondersteund wordt door de Europese Unie, met name om de EU-lidstaten te helpen bij het herstel van de door de coronapandemie veroorzaakte economische en sociale schade. Hoewel die steun door de gemeenschappen toegekend wordt, is de nagestreefde doelstelling voornamelijk van economische aard. Het lijkt dan ook discriminerend om voor die steun de vrijstelling van vennootschapsbelasting te weigeren enkel en alleen omdat de steun niet door een gewest toegekend werd. Bovendien blijkt de in de rechtspraak aangevoerde verantwoording met betrekking tot het culturele karakter van die gemeenschapssteun niet erg relevant, gelet op de economische aard van de subsidies die in het kader van voornoemd plan door de gemeenschappen toegekend worden. Overigens gold er voor de steunmaatregelen die tijdens de coronaperiode toegekend werden door de gewesten, de gemeenschappen, de provincies en de gemeenten om het hoofd te bieden aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de pandemie een vrijstelling van vennootschapsbelasting op grond van de wet van 29 mei 2020. Die steunmaatregelen hadden echter geen cultureel oogmerk. Zoals het in omzendbrief 2020/C/130 verwoord wordt, had die wettelijke vrijstelling niet de bedoeling "enige belasting te heffen op de steunmaatregelen die tot doel hebben de economische of sociale gevolgen van de pandemie te vergoeden". Is de heffing van vennootschapsbelasting op gemeenschapssteun (en andere dan gewestelijke steun) in het kader van het Plan voor Herstel en Veerkracht van België niet in strijd met de intentie van de wetgever, aangezien die steunmaatregelen er ook toe strekken de vennootschappen te ondersteunen naar aanleiding van de economische en sociale gevolgen van de crisis? Zo ja, kunt u overwegen om de vrijstelling van vennootschapsbelasting uit te breiden tot gemeenschapssteun (en andere dan gewestelijke steun) die een economisch oogmerk heeft en toegekend wordt in het kader van het Plan voor Herstel en Veerkracht van België?
ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)
Ik zal mijn administratie de opdracht geven om na te gaan of er effectief sprake is van door de gemeenschappen toegekende steun in het kader van het Plan voor Herstel en Veerkracht, die enkel omdat ze niet is toegekend door een gewestelijke instelling van de in de artikelen 193bis en 193ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen is uitgesloten. Het zal in ieder geval aan de volgende regering met volheid van bevoegdheid toekomen om een eventuele wetswijziging van de artikelen 193bis en 193ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 door te voeren.
