Parlementaire vraag nr. 19664 van de heer Peter Vanvelthoven van 14.07.2017
Kamer, Integraal verslag, Commissie voor de Financiën, 2016-2017, CRIV 54 COM 715 dd. 14.07.2017, blz. 9
De fairness tax
VRAAG (van de heer Vanvelthoven)
Mijnheer de minister, het Europees Hof van Justitie heeft met betrekking tot de fairness taks geoordeeld dat er in een specifiek geval sprake is van strijdigheid met een bepaling van de moeder-dochterrichtlijn. Het gaat dan over door een Belgische tussenholding wederuitgekeerde dividenden. Het Hof heeft, zoals verwacht, met de uitspraak het advies van de advocaatgeneraal gevolgd. U hebt ondertussen ruim de tijd gehad om een technische analyse te maken. Graag had ik van u dan ook vernomen of u het met mijn lezing eens bent, die volgens mij ook de lezing is van anderen die ter zake meer expertise hebben, dat, om de tegenstrijdigheid van de fairness taks met de moeder-dochterrichtlijn ongedaan te maken, het volstaat om de belastbare grondslag van de fairness tax te beperken of te verminderen, overeenkomst artikel 4, lid 3 van de richtlijn 2011/96/EU, wanneer die vennootschap, binnen de werkingssfeer van dezelfde richtlijn, dividenden uitkeert die ze zelf heeft ontvangen en die ze dus herverdeelt. Wij hebben ter zake een wetsvoorstel ingediend om dit zo snel mogelijk opgelost te krijgen. Ik had hierover graag uw mening gehoord.
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Wat heel de problematiek inzake de fairness tax betreft, wil ik eraan herinneren dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 mei 2017 als onderwerp een prejudiciële vraag heeft, ingediend door het Grondwettelijk Hof. Eigenlijk zijn er drie prejudiciële vragen. Ik wil daarop toch even ingaan. De eerste vraag ging over een mogelijke overtreding van de vrijheid van vestiging, naar aanleiding van een discriminerende behandeling van niet-ingezeten vennootschappen die een economische activiteit in België verrichten door middel van een vaste inrichting ten aanzien van een ingezeten Belgische vennootschap. De verzoeker en de Commissie hebben geoordeeld dat de berekeningswijze van de belastbare grondslag zou kunnen leiden tot een zwaardere belasting voor niet-ingezeten vennootschappen, aangezien de berekeningswijze ertoe leidt dat die niet-ingezeten vennootschap wordt belast op andere winsten dan die gegenereerd door de Belgische vaste inrichting. De Commissie heeft ook uitgelicht dat een vaste inrichting onderworpen is aan de belasting, zelfs wanneer de winsten van die vaste inrichting geen deel uitmaken van de dividenden die worden uitgekeerd door de niet-ingezeten vennootschap. Het Hof van Justitie heeft op die eerste vraag geantwoord dat het een verwijzende rechter, in dit geval het Grondwettelijk Hof, toekomt na te gaan of de berekeningswijze van de belastbare grondslag van de fairness tax ertoe leidt dat de fiscale behandeling van een niet ingezeten vennootschap die haar activiteit in België verricht door middel van een vaste inrichting, niet minder voordelig zou zijn dan die waaraan een ingezeten vennootschap onderworpen is. Op de tweede prejudiciële vraag, of de fairness tax een bronheffing uitmaakt in de zin van artikel 5 van de dochter-moederrichtlijn, werd door het Hof van Justitie, zoals u wellicht weet, negatief geantwoord. Tot slot, oordeelde het Hof van Justitie met betrekking tot de derde prejudiciële vraag, en in navolging van de conclusie van de advocaatgeneraal, dat artikel 4, lid 1a van de moeder-dochterrichtlijn, gelezen in samenhang met lid 3 van dat artikel, zich verzet tegen een nationale belastingregeling, zoals in dit geval, voor zover die regeling, in een geval waarin een moedermaatschappij de van haar dochteronderneming ontvangen winsten pas uitkeert na het jaar waarin zij die heeft ontvangen, tot gevolg heeft dat die winsten voor een groter gedeelte worden belast dan het in die bepaling vastgelegde plafond van 5 %. Hetgeen voorafgaat, betreft het geval van wederuitkering van dividenden die in aanmerking komen voor de DBI-aftrek. Op basis daarvan lijkt artikel 219ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 alvast technisch te moeten worden gewijzigd, zodat het plafond van 5 % voor dergelijke dividenden die opnieuw zijn uitgekeerd onder de voorwaarden van de richtlijn niet wordt overschreden door toedoen van de fairness tax. Het komt nu echter het Grondwettelijk Hof toe om zich uit te spreken over een eventuele nadelige behandeling van een niet-ingezeten vennootschap die haar activiteiten in België verricht door middel van een vaste inrichting, zoals opgeworpen door het Hof van Justitie in antwoord op de eerste prejudiciële vraag. Naast die vraag inzake de overtreding van het Europees recht moet het Grondwettelijk Hof zich eveneens uitspreken over het grondwettelijk karakter van het regime van de fairness tax. In het beroep tot nietigverklaring van de fairness tax heeft de verzoeker ook een inbreuk op de grondwettelijke beginselen van legaliteit en gelijkheid ingeroepen. In dit stadium, waarin de net aangegeven elementen spelen, lijkt het mij voorbarig om een wetswijziging voor te stellen zonder de inhoud van het arrest van het Grondwettelijk Hof te kennen. Zodra dat arrest wordt geveld, zal er uiteraard gevolg aan worden gegeven.
Peter Vanvelthoven : Mijnheer de voorzitter, ik noteer dat de minister het arrest van het Grondwettelijk Hof afwacht. Dat kan natuurlijk nog even op zich laten wachten.
