Parlementaire vraag nr. 488 van de heer Vermeiren van 03.09.1993
VRAAG 93/488
Vraag nr. 488 van de heer Vermeiren dd. 03.09.1993
Bull. nr. 734, pag. 194
Bezwaarschrift - Kadastraal inkomen - Kwijtschelding van de onroerende voorheffing - Vermindering van de onroerende voorheffing
Op de keerzijde van het aanslagbiljet inzake onroerende voorheffing wordt vermeld dat indien de betrokken belastingbetaler meent aanspraak te mogen maken op verminderingen wanneer het pand in de loop van het aanslagjaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet gebruikt werd en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht, hij een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen tegen 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin het kohier uitvoerbaar is verklaard.
Er wordt nader gepreciseerd dat ten minste zes maanden moet gewacht worden alvorens een dergelijk bezwaarschrift in te dienen, te rekenen vanaf de datum van toezending van het aanslagbiljet.
Volgens inlichtingen vertrekt door een bepaalde belastingdienst zouden door de geachte minister onderrichtingen zijn gegeven om voortaan bezwaarschriften tegen het kadastraal inkomen niet meer te aanvaarden, ook niet wanneer het betrokken goed geen inkomsten heeft opgebracht.
In dat verband vernam ik daarom graag :
1. Op grond van welke wetgeving de geachte minister dergelijke onderrichtingen heeft gegeven aan de bevoegde belastingdiensten;
2. Wanneer eigenaars, waarvan de onroerende bezittingen niets hebben opgebracht, voortaan nog aanspraak kunnen maken op kwijtschelding of proportionele vermindering, zoals aangegeven op de keerzijde van het aanslagbiljet inzake onroerende voorheffing.
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen.
1. Krachtens artikel 50 van het decreet van de Vlaamse Raad van 25 juni 1992 (Belgisch Staatsblad van 11 juli 1992) dat artikel 162, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) (thans art. 257, 4°, WIB 92) wijzigt, kan er met ingang van het aanslagjaar 1992 wegens onproduktiviteit geen proportionele vermindering of kwijtschelding van onroerende voorheffing meer worden verleend voor de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen.
Deze wetswijziging werd aan de betrokken belastingdiensten medegedeeld met de circulaire van 15 maart 1993, nr. Ci.RH.222/447.542, die gepubliceerd werd in het Bulletin der belastingen, nr. 727 van de maand mei 1993, blz. 1107.
Volledigheidshalve kan ik het geachte lid mededelen dat aangezien voornoemd decreet zijn oorsprong vindt in het Vlaams regeerakkoord waarin onder andere is bepaald dat de strijd tegen de leegstand en de verkrotting van "woningen" zal worden aangebonden, is dan ook de vraag gerezen of het de bedoeling van het decreet is geweest het toepassingsveld ervan uit te breiden tot de nijverheids-, handels- en ambachtsbedrijven, wat met de huidige formulering van het decreet het geval is.
Bij brief van 23 februari 1993 heeft de minister-president van de Vlaamse regering, hierop attent gemaakt door de administratie der Directe Belastingen, bevestigd dat het niet de bedoeling is geweest het toepassingsgebied van deze maatregel uit te breiden tot de voormelde bedrijven, en dat bij het eerstvolgend programmadecreet deze anomalie zou worden rechtgezet.
Met een instructie werden de belastingdiensten van deze feiten op de hoogte gebracht, waarbij de opdracht werd gegeven de bezwaarschriften inzake de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 1992 en beogende de onproduktiviteit van nijverheids-, handels- en ambachtsbedrijven tot nader order in beraad houden.
Er moet dus worden benadrukt dat geen onderrichtingen zijn gegeven om voortaan geen bezwaarschriften tegen het kadastraal inkomen te aanvaarden. Dit zou trouwens strijdig zijn, enerzijds met artikel 366, WIB 92, dat aan de belastingplichtige het recht toekent bij de bevoegde gewestelijke directeur der belastingen schriftelijk bezwaar in te dienen tegen het bedrag van een op zijn naam gevestigde aanslag en, anderzijds, met artikel 497, WIB 92, dat een recht van bezwaar instelt tegen het betekend kadastraal inkomen. Een regelmatig ingediend bezwaarschrift is wel ontvankelijk, doch kan als ongegrond worden afgewezen.
2. Eigenaars van wie de onroerende goederen gelegen zijn in het Brusselse en het Waalse Gewest kunnen nog altijd aanspraak maken op de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, op voorwaarde dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, en mits het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift dat op straffe van verval moet worden ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin het kohier uitvoerbaar is verklaard. De termijn mag nochtans niet minder dan zes maanden bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet.
Dit betekent dus dat aan de belastingplichtige een minimumtermijn van zes maanden moet verleend worden om een bezwaarschrift te kunnen indienen en niet dat daartoe zes maanden moet worden gewacht.
Vraag nr. 488 van de heer Vermeiren dd. 03.09.1993
Bull. nr. 734, pag. 194
Bezwaarschrift - Kadastraal inkomen - Kwijtschelding van de onroerende voorheffing - Vermindering van de onroerende voorheffing
Op de keerzijde van het aanslagbiljet inzake onroerende voorheffing wordt vermeld dat indien de betrokken belastingbetaler meent aanspraak te mogen maken op verminderingen wanneer het pand in de loop van het aanslagjaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet gebruikt werd en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht, hij een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen tegen 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin het kohier uitvoerbaar is verklaard.
Er wordt nader gepreciseerd dat ten minste zes maanden moet gewacht worden alvorens een dergelijk bezwaarschrift in te dienen, te rekenen vanaf de datum van toezending van het aanslagbiljet.
Volgens inlichtingen vertrekt door een bepaalde belastingdienst zouden door de geachte minister onderrichtingen zijn gegeven om voortaan bezwaarschriften tegen het kadastraal inkomen niet meer te aanvaarden, ook niet wanneer het betrokken goed geen inkomsten heeft opgebracht.
In dat verband vernam ik daarom graag :
1. Op grond van welke wetgeving de geachte minister dergelijke onderrichtingen heeft gegeven aan de bevoegde belastingdiensten;
2. Wanneer eigenaars, waarvan de onroerende bezittingen niets hebben opgebracht, voortaan nog aanspraak kunnen maken op kwijtschelding of proportionele vermindering, zoals aangegeven op de keerzijde van het aanslagbiljet inzake onroerende voorheffing.
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen.
1. Krachtens artikel 50 van het decreet van de Vlaamse Raad van 25 juni 1992 (Belgisch Staatsblad van 11 juli 1992) dat artikel 162, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) (thans art. 257, 4°, WIB 92) wijzigt, kan er met ingang van het aanslagjaar 1992 wegens onproduktiviteit geen proportionele vermindering of kwijtschelding van onroerende voorheffing meer worden verleend voor de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen.
Deze wetswijziging werd aan de betrokken belastingdiensten medegedeeld met de circulaire van 15 maart 1993, nr. Ci.RH.222/447.542, die gepubliceerd werd in het Bulletin der belastingen, nr. 727 van de maand mei 1993, blz. 1107.
Volledigheidshalve kan ik het geachte lid mededelen dat aangezien voornoemd decreet zijn oorsprong vindt in het Vlaams regeerakkoord waarin onder andere is bepaald dat de strijd tegen de leegstand en de verkrotting van "woningen" zal worden aangebonden, is dan ook de vraag gerezen of het de bedoeling van het decreet is geweest het toepassingsveld ervan uit te breiden tot de nijverheids-, handels- en ambachtsbedrijven, wat met de huidige formulering van het decreet het geval is.
Bij brief van 23 februari 1993 heeft de minister-president van de Vlaamse regering, hierop attent gemaakt door de administratie der Directe Belastingen, bevestigd dat het niet de bedoeling is geweest het toepassingsgebied van deze maatregel uit te breiden tot de voormelde bedrijven, en dat bij het eerstvolgend programmadecreet deze anomalie zou worden rechtgezet.
Met een instructie werden de belastingdiensten van deze feiten op de hoogte gebracht, waarbij de opdracht werd gegeven de bezwaarschriften inzake de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 1992 en beogende de onproduktiviteit van nijverheids-, handels- en ambachtsbedrijven tot nader order in beraad houden.
Er moet dus worden benadrukt dat geen onderrichtingen zijn gegeven om voortaan geen bezwaarschriften tegen het kadastraal inkomen te aanvaarden. Dit zou trouwens strijdig zijn, enerzijds met artikel 366, WIB 92, dat aan de belastingplichtige het recht toekent bij de bevoegde gewestelijke directeur der belastingen schriftelijk bezwaar in te dienen tegen het bedrag van een op zijn naam gevestigde aanslag en, anderzijds, met artikel 497, WIB 92, dat een recht van bezwaar instelt tegen het betekend kadastraal inkomen. Een regelmatig ingediend bezwaarschrift is wel ontvankelijk, doch kan als ongegrond worden afgewezen.
2. Eigenaars van wie de onroerende goederen gelegen zijn in het Brusselse en het Waalse Gewest kunnen nog altijd aanspraak maken op de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, op voorwaarde dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, en mits het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift dat op straffe van verval moet worden ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin het kohier uitvoerbaar is verklaard. De termijn mag nochtans niet minder dan zes maanden bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet.
Dit betekent dus dat aan de belastingplichtige een minimumtermijn van zes maanden moet verleend worden om een bezwaarschrift te kunnen indienen en niet dat daartoe zes maanden moet worden gewacht.
Bron: FisconetPlus
