Parlementaire vraag nr. 174 van de heer Christian Leysen van 13.01.2021
Kamer, Vraag en Antwoord, 2020-2021, QRVA 55/042 d.d. 11.03.2021, blz. 162
Toepassing wederopbouwreserve.
VRAAG (van de heer Leysen)
Deze vraag betreft de toepassing van de regelgeving, opgenomen in de wet van 19 november 2020 houdende de invoering van een wederopbouwreserve voor vennootschappen.
Samengevat is het voor vennootschappen mogelijk om het bedrag van het boekhoudkundig bedrijfsverlies, geleden in boekjaar 2020, tijdelijk belastingvrij te herstellen gedurende de aanslagjaren 2022, 2023 en 2024 en dit via de aanleg van de "wederopbouwreserve".
Het voordeel van deze maatregel wordt luidens het nieuw ingevoerde artikel 194quater/1, § 2, 4° wetboek inkomstenbelastingen (WIB) niet verleend aan de vennootschappen "die in de periode van 12 maart 2020 tot aan de dag van de indiening van de aangifte die verbonden is aan het aanslagjaar waarin de wederopbouwreserve wordt aangelegd, een inkoop van eigen aandelen, een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht".
Echter, onder "dividenden" worden luidens artikel 18, § 2ter WIB tevens begrepen de "uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap of van verkrijging van eigen aandelen door een dergelijke vennootschap".
Artikel 209 WIB is luidens artikel 210, § 1, 1e lid, 1° WIB ook van toepassing bij fusie door overneming.
Op dit principieel belastbaar dividend blijft echter dankzij artikel 211, § 1, 1e lid, 2° WIB "... belastingheffing ingevolge artikel 209 ... achterwege in de mate dat de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen".
Bij een fusie waarbij de opslorpende vennootschap reeds aandelen in de opgeslorpte vennootschap bezat, is er echter geen volledige vergoeding via nieuwe aandelen en blijft er dus een in principe belastbaar dividend.
Dit dividend kan genieten van een aftrek als definitief belast inkomen conform de bepalingen van artikel 202, § 1, 1e lid, 2° en § 2, 1e lid WIB.
De vraag stelt zich echter of dit in principe belastbaar maar vaak vrijstelbaar dividend niet de toepassing van het voordeel van artikel 194quater/1 WIB uitsluit. Dezelfde vraag stelt zich met betrekking tot de sanctie, voorzien in artikel 194quater/1, § 5 WIB wanneer dergelijke uitkering plaats vindt nadat in een vorig jaar een wederopbouwreserve werd aangelegd.
1. Is het mogelijk om op basis van de bestaande wetgeving, de voordelen van artikel 194quater/1 WIB toe te kennen respectievelijk te behouden indien de vennootschap door haar betrokkenheid in een belastingvrije opgeslorpte of gesplitste vennootschap geacht wordt een in artikel 209 WIB gedefinieerd dividend te hebben uitgekeerd?
2. Dient de wetgeving niet aangevuld te worden met een bepaling dat, in afwijking van artikel 18, er geen "dividend" noch andere uitkering wordt geacht plaats te vinden die conform artikel 211 WIB vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. Nee, het is niet mogelijk om bij uitkering van dividenden, waaronder ook liquidatieboni die als belastbaar dividend worden beschouwd in de zin van artikel 209 WIB 92, toegang te krijgen tot de vrijstellingsregeling van de wederopbouwreserve of om de toegekende vrijstelling ten belope van dit dividend te behouden.
De analyse van de geachte volksvertegenwoordiger met betrekking tot de draagwijdte van de "in artikel 18 bedoelde dividenden" en haar fiscale gevolgen is volledig correct. Maar of het nu gaat om de uitsluiting voorzien door artikel 194quater/1, § 2, 4°, WIB 92 of de sanctie voorzien door artikel 194quater/1, § 5, 2°, WIB 92, de regering heeft wel degelijk willen voorzien dat de uitkering van elk dividend, van welke aard ook, niet kan genieten van de voordelen van de huidige regeling.
De toekenning van een dividend heeft een invloed op de regeling van de wederopbouwreserve maar die gebeurtenis is evenwel niet het enige relevante element waarmee rekening moet worden gehouden.
De door u bedoelde verrichting wordt immers ook gekenmerkt door een vermindering van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap en heeft dus tot gevolg dat de regeling van de wederopbouwreserve niet van toepassing is bij de overgenomen vennootschap. Wanneer nadien in een bepaald belastbaar tijdperk zo'n verrichting plaatsgrijpt, zal bovendien de oorspronkelijk door de overgenomen vennootschap aangelegde wederopbouwreserve geheel of gedeeltelijk worden beschouwd als winst van dat belastbare tijdperk.
In dat verband zal ik mijn administratie de opdracht geven om na te gaan of naar aanleiding van de regeling van de wederopbouwreserve de bepalingen inzake fiscale neutraliteit, die van toepassing kunnen zijn in geval van fusies, splitsingen en ermee gelijkgestelde verrichtingen, niet moeten worden uitgebreid.
2. Het feit dat artikel 209 WIB 92, ophoudt van toepassing te zijn "voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen" overeenkomstig artikel 211, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92, impliceert dat er geen dividend is ten belope van de vergoeding van deze inbrengen.
Indien dit volledig het geval is, dit wil zeggen indien de volledige inbreng wordt vergoed door nieuwe aandelen is er geen sprake van een dividend in de zin van artikel 209 WIB 92 en is de vraag tot afwijking van artikel 18 WIB 92 zonder voorwerp.
Indien dit gedeeltelijk het geval is, is er wel degelijk sprake van een uitgekeerd dividend in de zin van artikel 209 WIB 92, dat onder bepaalde voorwaarden zou kunnen worden afgetrokken van de winst bij toepassing van artikel 202, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92, of vrijgesteld van roerende voorheffing krachtens artikel 264, eerste lid, 2°, WIB 92. Dit verandert echter niets aan de regel volgens dewelke elke dividenduitkering een automatische uitsluiting of sanctie impliceert voor de toepassing van de wederopbouwreserve, ongeacht of deze dividenden zijn vrijgesteld of niet.
Het is dus hoe dan ook niet nodig de wettekst op dat vlak te wijzigen. Bovendien zou ik willen benadrukken dat de draagwijdte van de uitsluiting of de sanctie inzake dividenden voorzien in artikel 194quater/1, WIB 92, helemaal identiek is aan hetgeen is voorzien in artikel 194septies/1, § 3, WIB 92, met betrekking tot de vrijstelling ter versterking van de solvabiliteit en het eigen vermogen van vennootschappen ten gevolge van de COVID-19-pandemie. Een wetswijziging ter beperking van de draagwijdte van het begrip "in artikel 18 bedoelde dividend" in artikel 194quater/1 of in artikel 194septies/1, WIB 92, is dus niet vereist in beide regelingen van vrijgestelde reserves.
