Parlementaire vraag nr. 1026 van de heer Van Campenhout van 31.05.2002

VRAAG 02/1026

Vraag nr. 1026 van de heer Van Campenhout dd. 31.05.2002


Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 148, blz. 18772-18775

Bull. nr. 836, pag. 1133-1136

Burgerlijke vennootschappen en verenigingen - Leden - Onroerende en roerende inkomsten

VRAAG

De Comm.IB 179/28 stelt dat: "Wanneer vennootschappen, verenigingen enz., zonder rechtspersoonlijkheid noch enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming exploiteren, noch zich aan een winstgevende bezigheid wijden - dit wil zeggen wanneer ze geen winsten of baten als bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, WIB 1992, behalen - zijn de inkomsten van onroerende goederen of van roerende goederen en kapitalen die zij (zonder in rechte eigenaar ervan te zijn) voor rekening of ten voordele van hun vennoten of leden beheren, in beginsel inkomsten van die vennoten of leden en als onroerend of roerend inkomen belastbaar. Als die vennootschappen, verenigingen enz. daarentegen enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming exploiteren of zich aan een winstgevende bezigheid wijden, worden de winsten of baten van die beroepswerkzaamheid - met inbegrip van de inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen die voor die onderneming worden gebruikt - aan de vennoten of leden uitgedeeld en zijn deze als zodanig te hunnen name belastbaar (zie artikel 29, WIB 1992) hetzij in de PB, hetzij in de Ven.B, hetzij in de BNI, naar gelang van de belasting waaraan de vennoten of leden zelf onderworpen zijn."

Samen met diverse rechtsleer (bijvoorbeeld Deschrijver D., in Fiscaal Vermogensbeheer, Kluwer, Antwerpen, Algemeen Hoofdstuk II, 2-3210; Moreau, M. en Vanoverbeke, J., De familiale burgerlijke vennootschap, de vernieuwende oplossing voor familiale vermogensplanning, Diegem, Ced Samson, 1997) neemt de belastingadministratie dus aan dat roerende (interesten, dividenden enz.) en onroerende (huurgeld) inkomsten behaald middels een Belgische burgerlijke vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, bijvoorbeeld voortkomend van roerende of onroerende beheers- en beleggingsverrichtingen binnen het kader van de maatschappelijke werkzaamheid, in hoofde van de vennoten/deelnemers worden aangemerkt als roerende en onroerende inkomsten, en dus dat er geen inkomstenconversie naar de deelnemers toe is (ervan uitgaand dat er onverdeelde mede-eigendom is tussen de deelnemers; we laten situaties waar de onderlinge juridische relaties complexer zijn, buiten beschouwing).

Daaruit kunnen de volgende conclusies getrokken worden, met name:

A. Dat de zogenaamde automatische "professionaliseringsregel " voor inkomsten behaald of verkregen door vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, zoals neergelegd in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (bijvoorbeeld Cass., 20 februari 1962, Pas., 1962, I, 706) en aanvaard door de administratie (Comm.IB 197/16), niet geldt voor vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (ook bevestigd door Lagae, J.P., Personenvennootschappen en maatschappen in het Belgische Internationaal Belastingrecht, in Liber Amicorum Van Houtte, Elsevier-Sequoia, 1975, 582 en 584).

B. Dat, zoals ook uit de formulering van Comm.IB 179/28 kan afgeleid worden, de beoordeling of zulke Belgische burgerlijke vennootschap (zonder rechtspersoonlijkheid) roerende of onroerende inkomsten verkrijgt (passieve inkomsten) moet plaatsvinden op het niveau van de Belgische vennootschap zelf (consistent met het voorschrift neergelegd in artikel 29 WIB 1992), ongeacht de hoedanigheid van de achterliggende deelnemers (individuen, vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, rechtspersonen. enz.). Met dien verstande dat dit "opwaartse kwalificatiebeginsel" uiteraard onverlet laat dat indien een vennootschap met rechtspersoonlijkheid deelneemt in zulke Belgische burgerlijke vennootschap, uiteraard de bovengenoemde automatische professionaliseringsregel op het deelnemersniveau toepasselijk zou kunnen zijn.

C. Dat een zogenaamd "neerwaartse kwalificatiebeginsel " afgewezen wordt. Met andere woorden indien een Belgische commerciële vennootschap met rechtspersoonlijkheid, al dan niet samen met particulieren, deelneemt in een Belgische burgerlijke vennootschap met bijvoorbeeld als activiteit het geven van een lening in onverdeeldheid of het aanhouden van een deelneming in onverdeeldheid, dan kan op grond van de zelfstandige kwalificatie op het ondernemingsniveau besloten worden dat deze activiteit een normale beheersverrichting van een privé-vermogen is (aanleiding gevend tot passieve inkomsten, niet tot winsten of baten).

D. Dat de deelname door een buitenlandse commerciële vennootschap in zulke Belgische passieve burgerlijke vennootschap (met normale beheersverrichtingen van een privé-vermogen) op zichzelf niet kan leiden tot een herkwalificatie tot winsten of baten op het niveau van de burgerlijke vennootschap noch tot de vaststelling van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 3, WIB 1992 ten name van de buitenlandse commerciële vennootschap.

Kan u het bovenstaande bevestigen dan wel op gemotiveerde wijze becommentariëren?

ANTWOORD

De fiscale gevolgen van de door het geachte lid in zijn vraag omschreven verrichtingen kunnen slechts beoordeeld worden na een grondig onderzoek van het geheel van de juridische en feitelijke gegevens die blijken uit de door de betrokken partijen opgestelde akten en uit de tussen hen gesloten overeenkomsten.

Evenwel kan op het algemene vlak worden meegedeeld dat de beoordeling van de inkomsten afhankelijk is van de activiteiten van de vennootschap, vereniging enz., zonder rechtspersoonlijkheid. Het hangt bijgevolg van de feitelijke omstandigheden en inzonderheid van de beheersvoorwaarden en -modaliteiten af om te onderzoeken of een vennootschap, vereniging, enz., zonder rechtspersoonlijkheid noch enige nijverheidshandelsof landbouwonderneming exploiteert, noch zich aan een winstgevende bezigheid wijdt. De vaststelling van de normale activiteiten van de vennoten of leden en de relatieve aanwezigheid van nietparticulieren als vennoten of leden kunnen desgevallend in overweging worden genomen bij die feitelijke beoordeling.

Wanneer het geachte lid evenwel een concreet geval beoogt, ben ik bereid een onderzoek te laten instellen indien mij de naam en het adres van de betrokken partijen, alsmede de nodige beoordelingselementen die vervat zijn in de tussen die partijen gesloten akten of overeenkomsten worden meegedeeld.