Parlementaire vraag nr. 1470 van mevrouw Pieters van 14.11.2006

VRAAG 06/1470

Vraag nr. 1470 van mevrouw Pieters dd. 14.11.2006


Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 156, blz. 30247-30248

Nietigheid van betwiste aanslag

VRAAG

Naar aanleiding van het onderzoek van bezwaarschriften inzake directe belastingen wordt er zowel door de bezwaarindieners als door de directie- en geschillenambtenaren regelmatig overtuigend vastgesteld dat er in fase van taxatie procedurefouten werden begaan ook al werd dit in de reclamaties of in de aanvullingen erop soms niet rechtstreeks als grief of als argument aangevoerd.

Die procedurefouten kunnen zowel betrekking hebben op de schending van de motiveringsplicht, willekeurige winstberekeningen, de toepassing van verkeerde wetsartikelen en/of op het gelijktijdige gebruik van twee verschillende bewijsmiddelen, enzovoort.

In het kader van een behoorlijke rechtsbedeling en van de administratieve vereenvoudiging en in het licht van de nieuwe fiscale procedures en moderne administratieve filosofieën rijzen de drie onderstaande algemene praktische vragen.

1.

a) Moeten de onderzoekende en beslissende directie- en geschillenambtenaren al die procedurefouten voortaan steeds onmiddellijk «ambtshalve» opwerpen en die betwiste, nietige en/of willekeurige aanslagen zonder dralen en dit alleszins binnen zes maanden eenvoudigweg vernietigen?

b) Zo neen, om al welke gegronde redenen niet?

2. Welke tussentijdse, definitieve en constructieve rol hebben zowel in fase van bezwaar als in gerechtelijke fase de verantwoordelijke en pleitende taxatieambtenaren in het licht van de bepalingen van artikel 379 van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992 daarbij voortaan achtereenvolgens concreet te vervullen?

3. Wanneer zullen zowel ten behoeve van de hoofdverantwoordelijke en pleitende taxatieambtenaren als voor de rechtzoekende belastingplichtigen de bepalingen van artikel 379 WIB 1992 uitvoerig administratief worden becommentarieerd en op Fisconet en in het Bulletin der belastingen» worden gepubliceerd zodat het aantal overbodig geblokkeerde bezwaarschriften en het aantal rechtszaken uiteindelijk eens drastisch gaat dalen en dat de gerechtelijke diensten niet verder meer overstelpt zouden worden met fiscale verzoekschriften?

4. Kunt u voor elk van die drie punten uw huidige algemene tijdsen kostenbesparende en klantvriendelijke ziens- en handelwijze meedelen onder meer in het licht van de bepalingen van de artikelen 339, 340, 346, 351, 355, 366, 372, 374, 375 en 379 het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als in het kader van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de moderne nieuwe fiscale cultuur en filosofie?

ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 02.03.2007)

1. Overeenkomstig artikel 375, § 1, eerste lid, WIB 1992, doet de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar als administratieve overheid uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige.

De directeur der belastingen is wettelijk verplicht zich hieraan te houden en hij kan geen andere gronden tot nietigheid van de aanslag onderzoeken dan die welke de belastingschuldige aanvoert.

2 en 3. De rol van elke speler werd beschreven in de instructie van 10 oktober 2006 (Instructie AOIF nr. 37/ 2006, Ci.RH.863/580.312) ten behoeve van de betrokken ambtenaren. Die instructie werd gegeven ter uitvoering van de circulaire van 1 maart 2002 (AOIF 6/ 2002).