Parlementaire vraag nr. 67 van de heer Frank Wilrycx van 07.03.2013

Parlementaire vraag nr. 67 van de heer Frank Wilrycx dd. 07.03.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/129 dd. 12.09.2013, blz. 132

Vennootschappen - Audiovisuele werken- Tax shelter

VRAAG

Door de programmawet van 2 augustus 2002 werd een tax shelter ingevoerd ten gunste van de filmindustrie. Deze fiscale maatregel (artikel 194ter en artikel 416, 2° WIB 1992) moedigt de productie van audiovisuele en cinematografische werken aan. Een vennootschap die wenst te investeren in de productie van audiovisuele werken, kan een vrijstelling krijgen van haar belastbare gereserveerde winst tot maar liefst 150% van de sommen die voor de productie zijn betaald. Alle binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen komen als investeerders voor deze regelgeving in aanmerking. Uitzonderingen hierop zijn televisieomroepen en ondernemingen die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken hebben. Het geïnvesteerde bedrag mag, per belastbaar tijdperk, slechts vrijgesteld worden, enerzijds maximaal 50% van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk en anderzijds maximaal 750.000 euro. Investeringen in binnenlandse vennootschappen en in Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen, die als voornaamste activiteit audiovisuele werken produceren, komen in aanmerking. Volgende categorieën van audiovisuele werken komen in aanmerking: voor de bioscoop zijn dat langspeelfilms, documentaires of animatiefilms; voor de televisie betreffen het animatieseries, documentaire, jeugdreeksen en de lange fictiefilm.

1. a) Welk soort vennootschappen maakte hoe vaak gebruik van de tax shelter in de jongste vijf jaar (indien mogelijk sinds de invoering van deze fiscale maatregel)? b) Wat is de verhouding van investeringen tussen het noordelijke en zuidelijke landsgedeelte?

2. Gaat het vaak om dezelfde vennootschappen die investeren?

3. a) Hoeveel kapitaal heeft deze maatregel tot op heden gegenereerd voor de filmindustrie in België? b) Hoeveel van het totale filmbudget vertegenwoordigt de maatregel in de landsgedeelten? 4. Heeft deze maatregel voor nieuwe werkgelegenheid gezorgd in België? .

5. a) Heeft de tax shelter bijgedragen tot de productie van meer audiovisuele werken? b) In welk genre investeerden vennootschappen het meest?

6. a) Werden er door productiehuizen aanvragen ingediend waarbij belangenvermenging kan aangetoond worden met een televisieomroep? b) Indien wel, hoe vaak kwam dit voor?

7. Hoe apprecieert u de invoering van deze fiscale maatregel?

ANTWOORD (van de heer Geens, Minister van Financiën)

1.a en 2. De vrijstelling voor investeringen in audiovisuele werken verloopt in twee fasen. In een eerste fase wordt een tijdelijke en voorwaardelijke vrijstelling toegekend. In een tweede fase, wanneer alle vrijstellingsvoorwaarden werden nageleefd, wordt een definitieve vrijstelling verleend. Tussen deze twee fasen verlopen er vaak enkele jaren. Sinds de invoering van deze fiscale maatregel tot en met het aanslagjaar 2010, hebben 2.009 ondernemingen uit diverse activiteitssectoren een definitieve vrijstelling genoten of genieten ze nog steeds een voorlopige vrijstelling. 501 van deze vennootschappen behoren tot de doelgroep "grote ondernemingen", zoals die door de administratie werd gedefinieerd in de circulaire nr. Ci.RH.81/601.900 (AOIF n° 4/2010) van 11 januari 2010.

1.b en 3.a De toegekende fiscale vrijstellingen laten evenwel niet toe om zich uit te spreken over het totaal bedrag aan geïnvesteerde bedragen. Deze vrijstelling wordt namelijk beperkt tot 50 procent, met een maximum van 750.000 euro, van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk, vastgesteld vóór de aanleg van de vrijgestelde tax shelter reserve. Bovendien kunnen de vennootschappen een voorlopige vrijstelling genieten voor zowel de werkelijk gestorte sommen als voor de sommen waartoe ze zich verbonden hebben. Tevens kan een vennootschap die deze fiscale maatregel toepast zijn fiscale domicilie hebben in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar een audiovisuele productie financieren in het Gewest Vlaanderen. 3.b De fiscale administratie houdt geen statistieken bij met betrekking tot het aandeel van de via het tax shelter-systeem geïnvesteerde bedragen in het totale budget van deze audiovisuele werken. Er wordt evenwel aangestipt dat het artikel 194ter, § 4, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) voorziet in een maximumaandeel van 50 %.

4. en 5.a Wat betreft de impact van deze maatregel op de audiovisuele sector, verwijs ik het geachte Lid naar de gemeenschapsministers bevoegd voor culturele aangelegenheden. 5.b De fiscale administratie beschikt niet over een opsplitsing van de verleende vrijstellingen per type van audiovisueel werk.

6.a en 6.b In de eerste plaats dient de productievennootschap een aanvraag tot erkenning van het audiovisueel werk in te dienen bij de betrokken Gemeenschap. Om de aantallen geweigerde aanvragen te kennen, verwijs ik u ook door naar de bevoegde gemeenschapsministers. 7. Als gevolg van deze maatregel kende de audiovisuele sector een stijgende activiteit in de voorbije jaren. Met de wijzigingen die werden doorgevoerd door de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, werd de tax shelter gewijzigd met als doel een garantie in te bouwen dat een zo groot mogelijk aandeel van de opgehaalde kapitalen door middel van de tax shelter ook effectief uitgaven financieren die rechtstreeks verbonden zijn met de audiovisuele productie. De resultaten van deze wijziging dienen nog geëvalueerd te worden.