Parlementaire vraag nr. 1427 van de heer Peter De Roover van 30.03.2023

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2022-2023, QRVA 55/112 d.d. 26.05.2023, blz. 148

Cumulatief gebruik van belastingkrediet en BV-vrijstelling

VRAAG (van de heer De Roover)

Met de wet van 28 maart 2022 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 2022) werd een vierde lid toegevoegd aan artikel 289quater WIB92. Deze toevoeging geldt voor de belastbare tijdperken die vanaf 1 april 2022 worden afgesloten. De gecombineerde toepassing van het belastingkrediet en de BV-vrijstelling voor milieuvriendelijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling roepen een aantal vragen op met het oog op een correcte invulling van de aangifte in de vennootschapsbelasting. Stel dat een binnenlandse vennootschap (die haar boekhouding per kalenderjaar voert) jaarlijks de salariskosten van een onderzoeker activeert als een immaterieel vast actief, en lineair afschrijft over een periode van drie jaar. De jaarlijks geactiveerde kost van 67.500 euro behelst de brutobezoldiging en houdt geen rekening met de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing die kan worden genoten op basis van artikel 275^3 WIB92. Het bedrag van deze subsidie blijft opgenomen op de creditzijde van een 74-rekening, en moet dus niet met dit actief worden verrekend (CBN-adviezen 2009/13 en 2010/2). Laat ons veronderstellen dat er jaarlijks een vrijstelling van bedrijfsvoorheffing kan worden bekomen ten belope van 14.000 euro. In de boekjaren per 31 december 2021 en 31 december 2022 past deze vennootschap het gespreide belastingkrediet toe op de geactiveerde kosten.

1. Toepassing van het gespreid belastingkrediet met betrekking tot de gedane investering tijdens het boekjaar 2021: kunt u bevestigen dat artikel 289quater, lid 4 WIB92 zo dient te worden geïnterpreteerd dat de berekeningsbasis voor het gespreid belastingkrediet voor de boekjaren 2022 en 2023 (respectievelijk op de tweede en de derde afschrijvingsannuïteit) gelijk is aan 22.500 euro, omdat de "aanschaffingswaarde of beleggingswaarde" in het voorliggende geval betrekking had op belastbaar tijdperk dat vóór 1 april 2022 werd afgesloten?

2. Indien op punt 1 niet bevestigend kan worden geantwoord, kunt u aangeven op welke basis een verschil in de berekeningsbasis ten opzichte van het éénmalige belastingkrediet kan worden gemotiveerd? Immers, indien de vennootschap in boekjaar 2021 het éénmalige belastingkrediet had geclaimd, kon het belastingkrediet worden toegepast op de aanschaffingswaarde van 67.500 euro (zonder enige correctie ingevolge de gelijktijdige toepassing van artikel 275^3 WIB92)?

3. Toepassing van het gespreid belastingkrediet met betrekking tot de gedane investering tijdens het boekjaar 2022: kunt u bevestigen dat artikel 289quater, lid 4 WIB92 zo dient te worden geïnterpreteerd dat de berekeningsbasis voor het gespreid belastingkrediet voor boekjaren 2022, 2023 en 2024 (respectievelijk op de eerste, tweede en de derde afschrijvingsannuïteit) gelijk is aan 17.833 euro (namelijk 22.500-[14.000/3]), omdat de "aanschaffingswaarde of beleggingswaarde" in het voorliggende geval betrekking heeft op een belastbaar tijdperk dat na 1 april 2022 werd afgesloten?

4. Indien op punt 3 niet bevestigd kan worden geantwoord, kunt u bevestigen dat artikel 289quater, lid 4 WIB92 zo dient te worden begrepen dat de berekeningsbasis voor het gespreid belastingkrediet voor boekjaar 2022 (op de eerste afschrijvingsannuïteit) gelijk is aan 8.500 euro (namelijk 22.500 - 14.000), en dat de berekeningsbasis voor het gespreid belastingkrediet voor de boekjaren 2023 en 2024 (respectievelijk op de tweede en derde afschrijvingsannuïteit) gelijk is aan 22.500 euro?

5. Indien punten 3 en 4 niet bevestigend kunnen worden beantwoord, kunt u bevestigen dat artikel 289quater, lid 4 WIB92 zo dient te worden begrepen dat de berekeningsbasis voor het gespreid belastingkrediet voor de boekjaren 2022 en 2023 (respectievelijk op de eerste en tweede afschrijvingsannuïteit) gelijk is aan 22.500 euro, en dat de berekeningsbasis voor het gespreid belastingkrediet voor boekjaar 2024 (derde afschrijvingsannuïteit) gelijk is aan 8.500 euro (namelijk 22.500 - 14.000)?

ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)

De huidige bepalingen van de artikelen 289quater en 289sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) hebben onder meer als gevolg dat de berekeningsbasis van het gespreide belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling moet worden verminderd met het bedrag van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing vanaf het belastbare tijdperk dat wordt afgesloten vanaf 1 april 2022.

Ik meen dan ook dat, op basis van de samenlezing van de vennootschapsrechtelijke bepalingen en de bepalingen van het WIB 92:

- in uw eerste voorbeeld de berekeningsbasis van het gespreide belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling 22.500 euro bedraagt voor de boekjaren 2022 en 2023 voor een gedane investering tijdens het boekjaar 2021;

- in uw tweede voorbeeld de berekeningsbasis van het gespreide belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling proportioneel moet worden verminderd met het gedeelte van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing. Dat betekent dat de berekeningsbasis van dat gespreide belastingkrediet 17.833,33 euro bedraagt voor de boekjaren 2022, 2023 en 2024 voor de salariskosten die tijdens het boekjaar 2022 worden geactiveerd als een immaterieel vast actief.