Parlementaire vraag nr. 400 van de heer Eerdekens van 19.06.2000
VRAAG 00/400
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 70, blz. 7915-7916
Bull. nr. 816, pag. 1284
RV - Verkrijger - Rechtspersoon
VRAAG
1. Mag uit een gezamenlijke lezing van de artikelen 261 en 262, 1°, a), van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 worden geconcludeerd dat wie de inkomsten verschuldigd is, geen roerende voorheffing hoeft te betalen als de verkrijger van de roerende inkomsten van Belgische oorsprong een rechtspersoon is zoals bedoeld in artikel 220 van het WIB 1992?
2. Zo neen, op welke gevallen is artikel 262, 1°, a), van het WIB 1992 dan wel van toepassing?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna de nuttige verduidelijkingen te vinden met betrekking tot de draagwijdte van respectievelijk de artikelen 261, 1°, en 262, 1°, a), van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 1992).
Luidens de bepalingen van artikel 261, 1°, WIB 1992, is de roerende voorheffing onder andere verschuldigd door de schuldenaars van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen of van loten van effecten van leningen van Belgische oorsprong en moet deze van de belastbare inkomsten worden ingehouden, ongeacht elk hiermee strijdig beding.
Ingevolge artikel 262, 1°, a), WIB 1992, zoals het werd gewijzigd door artikel 7 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen en artikel 7 van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen krijgen bepaalde belastingplichtigen die zijn onderworpen aan de rechtspersonenbelasting overeenkomstig artikel 220, WIB 1992, gewoon de kans om effecten aan te schaffen, waarop geen voorheffing verschuldigd is, waarbij zijzelf roerende voorheffing moeten betalen op de interesten die hen worden uitbetaald (zie Parl. St. voorafgaande aan de voormelde wet van 22 juli 1993, nr. 1072/8 - 1992/ 1993, blz. 88).
Derhalve beoogt deze bepaling de gevallen waarbij wettelijk of reglementair kan worden afgezien van de inning van de roerende voorheffing aan de bron, zonder dat de verkrijger zich eveneens kan beroepen op een vrijstelling op de ontvangen inkomsten.
Deze bepaling laat aan de verkrijger van de inkomsten in geen enkel geval toe om zich in de plaats te stellen van de schuldenaar van de roerende voorheffing zoals vermeld in artikel 261, 1°, WIB 1992, wanneer deze laatste zijn verplichtingen inzake de inhouding aan de bron en de storting van de betrokken voorheffing niet heeft vervuld.
Bron: FisconetPlus
