Parlementaire vraag nr. 1647 van de heer Marco Van Hees van 14.08.2023

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2022-2023, QRVA 55/123 d.d. 19.11.2023, blz. 255

Maatregel F10 van het tweede plan voor fraudebestrijding

VRAAG (van de heer Van Hees)

Maatregel F10 van het tweede plan voor fraudebestrijding betreft de wijziging van artikel 185, § 2, WIB 92. Thans worden de verrekenprijzen immers gecorrigeerd op grond van een omzendbrief zonder rechtskracht, waarin de aanbevelingen ter zake van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opgenomen worden. De aanpassingen van de verrekenprijzen worden alleen om die reden stelselmatig en zonder beoordeling ten gronde verworpen. Door de wijziging van artikel 185, § 2, zullen de aanbevelingen van de OESO dus in de wet verankerd worden en zal de Koning gemachtigd worden om de regels met betrekking tot de verrekenprijzen overeenkomstig de geactualiseerde omzendbrief 2020/C/35 van 25 februari 2020 te bepalen.

1. Hoeveel zaken met betrekking tot een rechtzetting van de verrekenprijzen werden er verloren omwille van bovengenoemde reden en welke ontvangsten heeft de federale overheid niet kunnen innen, terwijl ze van oordeel was dat men haar die bedragen verschuldigd was?

2. Al jaren wordt er door talrijke internationale juristen die in die materie gespecialiseerd zijn, nadrukkelijk op gewezen dat die kwesties in de wet moeten worden ingeschreven. Uw administratie draagt eveneens kennis van die problematiek. Niet alleen onderhandelt ze al decennialang over dubbelbelastingverdragen naar OESO-model, die overeenkomstig de Belgische Grondwet in het nationaal recht wettelijk geratificeerd moeten worden, maar daarnaast beschikt ze zowel bij de OESO-diensten als bij de permanente vertegenwoordiging van België bij de OESO over eminente ambtenaren, waarvan men zegt dat ze perfect opgeleid zijn voor het voeren van de lopende onderhandelingen en die het probleem met betrekking tot het ontbreken van wettelijke gronden niet kunnen miskennen. Kunt u bijgevolg verklaren hoe men een dergelijke ontwerpfout heeft kunnen maken?

3. Hoe staat het met de uitvoering van deze maatregel?

4. Wat heeft deze maatregel jaarlijks opgebracht in 2021 en 2022 en wat zijn de verwachtingen voor 2023 en 2024?

5. a) Hoe evalueert u de uitvoering van deze maatregel? Welke impact heeft die vaststelling in de beslissingen van de rechtbanken met betrekking tot de voorafgaande beslissingen inzake verrekenprijzen (met uitzondering van de excess profit rulings), waarvan de technische inhoud eveneens wankel wordt?

b) Wordt de bepaling in artikel 185, § 2, die luidt dat de rechtzettingen op grond van voorafgaande beslissingen gebeuren, met de beoogde wijziging ingetrokken?

ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)

1. Mijn administratie beschikt niet over de gevraagde gegevens.

2 en 3. De richtlijnen van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) inzake verrekenprijzen beogen inzicht te geven in de wijze waarop het zogenaamde arm's length-principe, dat is ingeschreven in artikel 185, § 2, WIB 92, in de praktijk moet worden toegepast door ondernemingen en belastingadministraties. Reeds bij de invoering van artikel 185, § 2, WIB 92, bij de wet van 21 juni 2004, was duidelijk dat de wetgever de invulling van het arm's length-principe zo nauw mogelijk wou laten aansluiten bij de OESO-richtlijnen inzake verrekenprijzen. Zo leest men in de memorie van toelichting bij dat wetsontwerp (Parl. Doc. 51-1079/001, blz. 5): "Bovendien stelt de Raad in zijn ontwerpconclusies van 6 maart 2002 ter zake van de instelling van een gezamenlijk verrekenprijsforum van de EU op het gebied van belastingen van ondernemingen dat gezien het werk dat op dit gebied reeds door de OESO is verricht en met name de verdiensten van de "Richtlijnen inzake verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en voor belastingadministraties" die het fundamentele algemene kader voor verrekenprijzen op breder internationaal niveau vormen, het werk van dat gezamenlijk verrekenprijsforum in overeenstemming zou moeten zijn met deze richtlijnen en deze moeten aanvullen, en geen belemmering moeten vormen voor meer algemene oplossingen binnen dat bijzondere OESO-kader. De invoering en expliciete erkenning van het internationaal aanvaarde arm's length principe kan aldus de rechtszekerheid vanwege de betrokken belastingplichtigen vergroten, hetgeen kan leiden tot een beter investeringsklimaat in België en zal bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen die reeds door de invoering van de voorafgaande beslissingen in fiscale zaken worden nagestreefd." In antwoord op verschillende parlementaire vragen is ook altijd duidelijk gesteld dat de OESO-richtlijnen het vertrekpunt vormen voor de controle op verrekenprijzen als bedoeld in artikel 185, § 2, WIB 92. Ook de Dienst Voorafgaande Beslissingen past de OESO-richtlijnen systematisch toe in haar rulingbeleid. Op Belgisch niveau is het dus reeds duidelijk dat de OESO-richtlijnen de basis zijn voor transacties tussen verbonden vennootschappen. Een wettelijke verankering zou enkel een bijkomende verduidelijking van dit principe zijn. Het lijkt ons echter nuttig om eerder in te zetten op een initiatief op Europees niveau. Op 12 september 2023 heeft de Europese Commissie een voorstel van richtlijn hieromtrent gepubliceerd. We zullen dit voorstel ondersteunen, zeker in het kader van het nakende Belgische Voorzitterschap. 4 en 5 a). Voor de antwoorden op deze punten, die bij elk van uw vragen in deze reeks vragen over de twee actieplannen van het College voor de fiscale en sociale fraudebestrijding terugkomen, verwijs ik naar het antwoord dat werd gegeven op de eerste vraag in deze reeks onder rubriek 2 en 3, in casu het antwoord van 25 oktober 2023 op vraag nr. 1671 van 23 augustus 2023 (zie huidig Bulletin).

5 b) Deze vraag is zonder toepassing, vermits de bepaling waarnaar u verwijst is reeds opgeheven via de wet van 17 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen II.