Parlementaire vraag nr. 291 van de heer Benoît Piedboeuf van 21.04.2015
Parlementaire vraag nr. 291 van de heer Benoît Piedboeuf dd. 21.04.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/029 dd. 15.06.2015, blz. 29
Belastingvermindering voor energiebesparende investeringen in een woning
VRAAG (van de heer Piedboeuf)
Bij artikel 145/24, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) - vanaf het aanslagjaar 2015 is dat artikel 145/47 van het WIB 1992 - wordt onder bepaalde voorwaarden een belastingvermindering verleend voor uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk werden betaald voor bepaalde energiebesparende investeringen in een woning (thans uitsluitend voor dakisolatie). Uw administratie heeft steeds het standpunt ingenomen dat alleen de belastingplichtige zelf (eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder) die de in aanmerking komende uitgaven werkelijk had betaald, zo'n belastingvermindering kon genieten. Nemen we het voorbeeld van kinderen die een huis erven en er in aanmerking komende werken laten verrichten omdat ze het huis willen verkopen teneinde uit onverdeeldheid te treden. Indien die uitgaven - om het contact met de aannemer zo vlot mogelijk te laten verlopen - echter integraal door één enkel kind worden betaald, dat zich vervolgens door de overige mede-eigenaars hun aandeel in de uitgaven laat terugbetalen, kunnen die laatste geen aanspraak maken op de bovenvermelde belastingvermindering. Een ander voorbeeld: de feitelijk samenwonende partner die zijn deel van de globale factuur aan zijn partner betaalt en niet aan de ondernemer, komt evenmin in aanmerking voor de belastingvermindering. Ook uw voorgangers waren die mening toegedaan (zie de antwoorden op vraag nr. 396 van mevrouw Smeyers van 8 oktober 2008, Schriftelijke vragen en antwoorden, Kamer, 2008-2009, nr. 042, blz. 11271-11273 en op vraag nr. 13105 van de heer Van Hecke van 6 novembre 2012, Beknopt Verslag, 2012-2013, commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer, COM 568, blz. 3 en 4). In de rechtspraak wordt dat beginsel echter niet gevolgd. De wettekst is duidelijk en stelt als voorwaarde dat de uitgaven werkelijk moeten zijn betaald. Nergens in de wet staat te lezen dat die betaling door de belastingplichtige zelf verricht moet worden. De administratie voegt dus een voorwaarde toe aan de wet, wat in strijd is met het beginsel van de strikte interpretatie van de belastingwet (zie Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 6 juni 2014, A.R. nr. 13/154/A en 13/4100/A, en Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 24 september 2014, A.R. 13/972/A - dat laatste vonnis staat sinds 27 november 2014 op de website van de FOD Financiën Fisconetplus).
1. Zal uw administratie zich naar die twee rechterlijke beslissingen schikken en haar commentaar in die zin aanpassen?
2. Of heeft ze besloten er hoger beroep tegen aan te tekenen?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Om de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven te kunnen krijgen, was de administratie van mening dat het vereist was dat de belastingplichtige die deze vermindering vroeg, de betrokken uitgaven zelf betaalde. De betaling van de uitgaven kon met andere woorden niet gebeuren door een derde (partner die alleen wordt belast, familielid, en zo meer). Recente vaste rechtspraak gaat in tegen dat standpunt van de administratie. Na de analyse van die rechtspraak is het niet langer aangewezen om de toekenning van de belastingvermindering te weigeren wanneer de betrokken uitgaven werden betaald door een derde die handelt in naam en tot kwijting van de schuldenaar. Het administratieve standpunt wordt bijgevolg in die zin aangepast. Aan dit gewijzigde standpunt zal publiciteit worden gegeven: - via FAQ die op de website van de FOD Financiën worden gepubliceerd; - via de publicatie van een circulaire. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, heeft de administratie geen hoger beroep ingesteld tegen de twee vonnissen die door het geachte lid worden aangehaald.
