Parlementaire vraag nr. 30 van mevrouw Mireille Colson van 20.09.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/002 d.d. 08.11.2024, blz. 200
CFC-regels - Kaaimantaks - Juridische constructies door EU-vennootschappen
VRAAG (van mevrouw Colson)
Artikel 5/1, § 3, enig lid, c) WIB92, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de programmawet van 22 december 2023, voorziet dat de transparante belasting onder de kaaimantaks niet van toepassing is voor het aanslagjaar waarvoor de oprichter aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in toepassing van artikel 185/2 in hoofde van een binnenlandse vennootschap worden belast. Dit betreft de Belgische CFC-regeling, waardoor de inkomsten van de juridische constructie reeds belast worden in de Belgische vennootschapsbelasting in hoofde van haar vennootschap-aandeelhouder. Dit zal dan een tussenconstructie betreffen. De memorie van toelichting (Parl. Doc. 3697/001, blz. 29) stelt dat dit wordt ingevoerd teneinde de oprichter meer armslag te geven om dubbele belasting van hetzelfde inkomen te vermijden. Kunnen juridische constructies die worden gehouden door vennootschappen gevestigd in een andere Europese lidstaat dan België en waarvan de inkomsten in hoofde van die Europese vennootschap worden belast ingevolge een CFC-regeling waarin de Europese richtlijn 2016/1164 van 12 juli 2016 voorziet, genieten van de vrijstelling van transparante belasting, zodat er geen sprake is van een economische dubbele belasting, dus eenmaal in hoofde van de vennootschap-aandeelhouder, en nogmaals in hoofde van de Belgische oprichter? Indien niet, is volgens u de maatregel die slechts eenmaal belasting voorziet bij een Belgische houdstervennootschap, en een dubbele economische belasting voorziet bij een houdstervennootschap gevestigd in een andere Europese lidstaat verenigbaar met de Europese economische vrijheden?
ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)
Artikel 5/1, § 3, c), WIB 92 voorziet dat paragraaf 1 van datzelfde artikel niet van toepassing is voor het aanslagjaar waarvoor de oprichter van een juridische constructie aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in toepassing van artikel 185/2, WIB 92 in hoofde van een binnenlandse vennootschap worden belast. In de door u beschreven situatie worden de inkomsten van een juridische constructie, gehouden door een vennootschap gevestigd in een andere Europese lidstaat dan België, belast in hoofde van die Europese vennootschap ingevolge de CFC-regeling (Controlled Foreign Corporation) die in die lidstaat van toepassing is. Die inkomsten worden dus niet belast in hoofde van een binnenlandse vennootschap overeenkomstig de CFC-regeling waarin artikel 185/2 WIB 92 voorziet. De voorwaarden om artikel 5/1, § 3, c), WIB 92 toe te passen zijn bijgevolg niet vervuld. Ik meen dat deze maatregel verenigbaar is met de Europese regels. Behoudens een andersluidende, in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing worden de belastingwetten immers geacht in overeenstemming te zijn met de Europese regels.
