Parlementaire vraag nr. 66 van mevrouw Pieters van 22.10.2003
VRAAG 03/066
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 075, blz. 12545-12547
Degressieve afschrijving - Opgave 328K - Waardeverminderingen - Voorzieningen - Opgave 204.3
VRAAG
Luidens de bepalingen van artikel 170, § 1, en artikel 172, tweede lid, van de Grondwet, kan geen belasting ten behoeve van de Staat worden ingevoerd dan door een wet en kan er geen vrijstelling of vermindering van belasting worden ingevoerd dan door een wet.
Hieruit volgt ontegensprekelijk dat de fiscale wet de enige correcte leidraad is bij het nemen van administratieve beslissingen zowel in het stadium van bezwaar of blijvend geschil (cf. het primerend legaliteitsbeginsel).
Inzake vennootschapsbelasting maken bepaalde drukwerken, zoals de opgave nr. 328K en de staat 204.3 ontegensprekelijk een integrerend deel uit van het aangifteformulier (zie vak X, A, 3 en 4 van het formulier nr. 275.1) dat jaarlijks officieel wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad zodat elkeen hiervan kennis kan nemen.
Daarenboven zijn de wettelijke bepalingen van artikel 307 § 3 WIB 1992 terzake evenmin voor enige juridische discussie vatbaar.
Laatstgenoemde bepalingen, net als alle overige bepalingen van het WIB 1992 en de desbetreffende reglementaire uitvoeringsbepalingen waarvan onder meer sprake in artikel 22, § 1, 4°, KB/WIB 1992 en artikel 41 KB/WIB 1992 zijn terzake overigens ook van openbare orde en hebben dan ook absolute voorrang op alle mogelijke andersluidende richtlijnen of nietbindende adviezen.
Vermits de heffing van de belastingen haar grondslag vindt in de wet en de belastingwetgeving de openbare orde raakt, kan haar toepassing derhalve noch door de belastingplichtige noch door de belastingambtenaren worden ontweken.
Ook een constante rechtspraak stelt dat de belastingen inderdaad door de wet worden vastgesteld en niet door overeenkomsten (Cass., 25.1.1949, Ranquin, Pas. 1949, I, 75; advies van het openbaar ministerie voorafgaande aan Cass., 31.5.1949, Pas. 1949, 1, 407; Brussel, 11.1.1950, Cuvelie, Bull. 254, blz. 83, 2.7.1953, Cralieck; Luik 22.1.1954, Bans).
1. Inzake vennootschapsbelasting rijst dan ook de algemene pertinente vraag of de belastingambtenaren, mits naleving van de procedureregelen voorzien in artikel 346 WIB 1992, mede gelet op de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het legaliteits-, het gelijkheiden het rechtszekerheidsbeginsel in alle omstandigheden steeds verplicht zijn zowel de degressieve afschrijvingen als de belastingvrijstellingen waarvan respectievelijk sprake in artikel 64 en artikel 48 WIB 1992 kordaat te weigeren wanneer de gewenste opgaven nr. 328K en/of staten 204.3 niet samen met het aangifteformulier tijdig bij de territoriaal bevoegde taxatie- of beheerdienst werden ingediend, ongeacht of er daarnaast juridisch en/of feitelijk al dan niet geheel of gedeeltelijk een betwisting kan bestaan over het principieel recht op degressieve afschrijvingen en op de belastingvrijstelling ingevolge voorzieningen voor risico's of waardeverminderingen?
2. Wat zegt de al dan niet constante rechtspraak hieromtrent, in acht genomen de beschikkingen van artikel 159 van de Grondwet?
3. Kan u uw huidig geactualiseerde algemene ziensen handelwijze meedelen in het licht van zowel de Grondwet als van alle voornoemde wettelijke en reglementaire bepalingen van het WIB 1992?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 19.04.2005)
Na onderzoek van de door het geachte lid aangehaalde problematiek kan het standpunt van de administratie in deze materie als volgt worden samengevat.
Artikel 41 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992) bepaalt dat belastingplichtigen die het stelsel van degressieve afschrijving kiezen voor tijdens enig belastbaar tijdperk verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, die keuze moeten betekenen aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners over dat tijdperk en dat die betekening bij de aangifte moet worden gevoegd en vergezeld gaan van een opgave voor elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard die tijdens gezegd tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht. Artikel 42 van ditzelfde koninklijk besluit (KB/WIB 1992) bepaalt anderzijds dat de uitgedrukte keuze onherroepelijk is.
Uit voorafgaande reglementaire bepalingen blijkt klaar en duidelijk dat de keuze van degressieve afschrijvingen op de door vennootschappen verworven activa bij de indiening van de aangifte in de vennootschapsbelasting moet worden betekend. Die zienswijze wordt in diverse arresten van de hoven van beroep bevestigd.
Wat de overlegging van de opgave 204.3 betreft, bepaalt artikel 22 van het koninklijk besluit/WIB 1992 dat de staat 204.3 moet worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk en bij die aangifte moet worden gevoegd. Deze staat moet dus in principe eveneens bij de aangifte worden gevoegd.
Die termijn is echter niet op straffe van verval vastgesteld. De administratie laat derhalve toe aan belastingplichtigen die in de mening verkeerden dat de door hen geboekte waardeverminderingen als beroepskosten aftrekbaar waren, de mogelijkheid krijgen om alsnog een opgave 204.3 in te dienen, wanneer in om het even welk stadium van de procedure blijkt dat die waardeverminderingen kunnen worden vrijgesteld.
Bron: FisconetPlus
