Parlementaire vraag nr. 69 van de heer Van Biesen van 07.11.2007

VRAAG 07/069

Vraag nr. 69 van de heer Van Biesen dd. 07.11.2007


Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 007, blz. 417-419

Herkwalificatie akte - Begrip "geldlening"

VRAAG

Artikel 344, § 1, WIB 1992, bepaalt dat: «Aan de administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoeden [...] vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken [...]».

De belastingplichtige kan evenwel trachten te bewijzen dat deze kwalificatie aan een rechtmatige financie¨le of economische behoefte beantwoordt.

Over deze herkwalificatie bestaat enige onduidelijkheid.

Met een fictief voorbeeld wens ik dit te verduidelijken:

Bij de oprichting van een vennootschap met storting in contanten voor 1 000 wordt geboekt: «Bank aan Kapitaal voor 1 000» (De bedrijfsleider stort met privégelden 1 000).

Enkele maanden later bij de quasi-inbreng van 5000 (verkoop van de eenmanszaak), wordt geboekt: «Vast Actief aan Lopende Rekening Zaakvoerder voor 5 000». (De zaakvoerder heeft 5 000 tegoed).

1. Kan de administratie voorhouden en de herkwalificatieregeling, bepaald bij artikel 344, § 1, WIB 1992, toepassen door de kapitaalstorting en deze quasiinbreng te herleiden tot een inbreng in natura, door te stellen dat bij herkwalificatie er eenzelfde eindsituatie ontstaat voor de vennootschap als voor de bedrijfsleider?

[1 000 betalen en 5 000 terug is 4 000 of te herkwalificeren tot een inbreng in natura door de twee opeenvolgende handelingen zijnde kapitaalstorting en quasiinbreng te laten overvloeien in Vast Actief 5 000 aan Kapitaal 1 000 en aan Lopende Rekening Zaakvoerder 4 000.].

2. Indien herkwalificatie zou kunnen in onderhavige situatie, dan is er bij latere uitkeringen van dividenden geen verlaagd tarief inzake roerende voorheffing van 15 % bepaald in het WIB 1992 (dividenden met betrekking tot aandelen in contanten).

Kan de administratie voorhouden dat door een kapitaalstorting gevolgd door een quasi-inbreng voor een hoger bedrag, een constructie werd opgezet die tot doel heeft om belasting te ontwijken?

3. Wat indien de vennootschap leent om de quasiinbreng te financieren?

ANTWOORD (van de vice-eersteminister en minister van Financiën, 18.12.2007)

Blijkbaar beoogt het geachte lid in casu een concreet geval. Vermits niet alle feitelijke elementen die bij de beoordeling van de verrichtingen van belang kunnen zijn, gekend zijn, is een concreet antwoord niet mogelijk.

De aandacht van het geachte lid wordt gewezen op de richtlijnen inzake het begrip «geldlening» opgenomen in de administratieve circulaire van 11 januari 2005, AOIF nr. 2/2005 en het addendum hieraan van 12 september 2007, zelfde referte, (te consulteren via www.fisconet.fgov.be ) die eventueel, afhankelijk van de feitelijke omstandigheden, van toepassing kunnen zijn op de door het geachte lid aangehaalde geval.

Tevens wordt opgemerkt dat er overeenkomstig artikel 20 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbe- lastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken ( Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, editie 2) steeds een aanvraag tot voorafgaande beslissing kan ingediend worden aangaande verrichting(en) die op fiscaal vlak nog geen uitwerking hebben gehad.