Parlementaire vraag nr. 1265 van de heer Olaerts van 26.10.1994

VRAAG 94/1265
Bull. nr. 752, pag. 2410
Beroepsinkomen - Toekenning meewerkende echtgeno(o)t(e).
Tussen de administratie en belastingplichtigen rijst vaak discussie over de verdeling van de verdiensten van dezelfde zaak, onder samenwerkende echtgenoten. In theorie, bijvoorbeeld, heeft men het over de verschillen inzake kwalificaties, opleiding, verantwoordelijkheid en prestaties. In de praktijk zijn de echtgenoten echter vaak gelijkwaardig, vullen ze elkaar aan en wordt bijgevolg vaak één van hen gediscrimineerd.
Welke duidelijke richtlijnen moet de administratie volgen ?
ANTWOORD
De door het geacht lid beoogde discussies betreffende feitenkwesties en kunnen dan ook niet vermeden worden, zelfs niet indien aangaande de betreffende materie duidelijke richtlijnen zijn verstrekt.
In casu zijn die richtlijnen opgenomen in de nrs. 86/16 tot 20 van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).
Daaruit blijkt onder meer dat het toegekende meewerkinkomen niet hoger mag zijn dan de bezoldiging die normaal aan derden wordt toegekend voor dezelfde prestaties als die welke de meewerkende echtgenoot levert, waarbij het bedrag van de normale bezoldiging in verhouding moet staan tot de aard, de belangrijkheid en de duur van de door de echtgenoot werkelijk geleverde prestaties. Het gaat hier dus om een feitenkwestie die moet worden beoordeeld aan de hand van de bijzonderheden van elk geval en van de door de belastingplichtige te verstrekken verantwoording.
Bovendien wens ik het geacht lid er nog op te wijzen dat krachtens de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 86, tweede lid, WIB 92, dat bedrag niet hoger mag zijn dan 30 % van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel (geval bijvoorbeeld van een handelszaak, een landbouwbedrijf, enz., waarin de echtgenoten werkelijk gezamenlijk een voortdurende werkzaamheid uitoefenen).