Parlementaire vraag nr. 254 van mevrouw Pieters van 05.02.2004

VRAAG 04/254/2

Vraag nr. 254 van mevrouw Pieters dd. 05.02.2004


Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 094, blz. 16761-16763

Belastingverhoging - Motivering - Vernietiging van aanslag - Hertaxatie

VRAAG

Ingevolge de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet op het vlak van de vestiging van de directe belastingen wanneer een belastingverhoging wordt opgelegd, de belastingplichtige in alle gevallen vooraf nauwkeurig en minstens worden ingelicht over de desbetreffende wettelijke bepalingen van artikel 444, eerste lid WIB 1992 en dient er tevens melding te worden gemaakt van de aard, de ernst en de rang van de vastgestelde overtreding zoals omschreven in de toepasselijke reglementaire bepalingen ter uitvoering van dit Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Die inlichtingen moeten worden verstrekt in het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege, in het wederantwoord voorzien in een drukwerk 279T, of, bij gebreke daarvan, bij gewone brief.

Niettegenstaande deze wettelijke en administratieve motiveringsvoorschriften valt het toch nog regelmatig voor dat in geval van bezwaarschrift de opgelegde belastingverhoging moet worden vernietigd en integraal worden ontheven omwille van gehele of gedeeltelijke miskenning van voornoemde wet van 29 juli 1991.

In de wetenschap dat de al dan niet gedeeltelijke vernietiging van een dergelijke belastingverhoging in rechte niet is gesteund op een artikel uit het « fiscaal» wetboek rijzen in de praktijk terzake thans nog steeds de volgende algemene juridische vragen.

1. Moet bij totaal gebrek aan en/of bij een gebrekkige of onvoldoende motivering de kwestieuze belastingaanslag :

a) volledig worden vernietigd (zowel in hoofdsom als voor de belastingverhoging);

b) gedeeltelijk worden vernietigd ten belope van de opgelegde belastingverhoging ?

2.
a)
Kan er naderhand toepassing worden gemaakt van de bepalingen van artikel 355 WIB 1992 voor een integraal vernietigde aanslag ten belope van de hoofdsom en van de belastingverhoging?

b) Zo ja, onder welke precieze voorwaarden en onder welke juridische omstandigheden kan er inzonderheid opnieuw een «belastingverhoging» worden opgelegd?

3.
a)
Kan er naderhand toepassing worden gemaakt van de bepalingen van artikel 355 WIB 1992 wanneer de kwestieuze aanslag slechts werd vernietigd ten belope van de ongemotiveerde of gebrekkig gemotiveerde belastingverhoging ?

b) Zo ja, onder al welke voorwaarden en onder al welke omstandigheden kan er opnieuw een belastingverhoging worden opgelegd?

4. Kan u, punt per punt, uw algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de thans vigerende bepalingen van de artikelen 346, 351, 352 bis, 355, 366 tot en met 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en in het kader van de nieuwe en klantvriendelijke fiscale cultuur alsmede van de beginselen van een behoorlijk en performant bestuur ?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 20.09.2005)

Naar mijn oordeel legt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen geen strengere verplichtingen op dan de bepalingen van artikel 346, WIB 1992 die een verplichting tot motivering inhouden, zodat in de voornoemde wet van 29 juli 1991 geen rechtsgrond kan gevonden worden tot vernietiging van een aanslag.

In verband met de opgelegde belastingverhoging wordt opgemerkt dat het niet aankondigen van een opgelegde belastingverhoging evenmin strijdig is met de verplichtingen voortspruitend uit artikel 346, WIB 1992 aangezien dat artikel enkel slaat op inkomsten en andere gegevens vermeld in een geldige aangifte (en dus niet slaat op een voorgenomen belastingverhoging) maar ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 18 april 2001 daarentegen strijdig is met een grondwetsconforme interpretatie van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen ( Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1986).

Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 bepaalt immers dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten vermeldt en de motieven opgeeft die hebben gediend om het bedrag van de boete vast te stellen.

Hieruit volgt dat indien een toegepaste belastingverhoging niet werd gemotiveerd het gedeelte van de aanslag dat op die belastingverhoging betrekking heeft zal worden vernietigd wegens de schending van een wettelijke regel, te weten artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

Dit stelt de administratie evenwel in staat met toepassing van artikel 355, WIB 1992 een nieuwe aanslag te vestigen betreffende de toe te passen belastingverhoging.