Parlementaire vraag nr. 382 van de heer Tavernier van 28.05.1993

VRAAG 93/382

Vraag nr. 382 van de heer Tavernier dd. 28.05.1993


Bull. nr. 732, blz. 3258

Wijziging van de aangifte - Bericht van wijziging - Kennisgeving van de aanslag van ambtswege

VRAAG

De Administratieve Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalt enerzijds onder het nummer 251/3 (Com.IB 251 /3) dat geen enkele wetsbepaling de aanslagambtenaar verplicht de opmerkingen te beantwoorden die de belastingplichtige in antwoord op het bericht van wijziging van zijn aangifte heeft geformuleerd. Deze stellingname zou zijn ingegeven door een uitspraak d.d. 11 maart 1993 van het Hof van beroep te Brussel inzake Vlimant. Anderzijds bepaalt Com.IB 251/4 dat, alhoewel niet verplicht, de aanslagambtenaar de betrokken belastingplichtige evenwel in de vorm van gewone brief, kennis kan geven van de mate waarin met de door hem gedane opmerkingen rekening wordt gehouden en dat de administratie er de voorkeur aan geeft dat er zoveel mogelijk gebruik van wordt gemaakt en, in ieder geval, telkens wanneer belangrijke meningsverschillen blijven bestaan.

1. Kan de geachte minister mij antwoorden wat de gevolgen zijn voor de belastingplichtige en voor de aanslagambtenaar wanneer niet geantwoord wordt op de opmerkingen van de belastingplichtige bij het voortbestaan van belangrijke meningsverschillen ?

2. Meent de geachte minister niet dat door enerzijds te stellen dat de kennisgeving niet verplicht is en anderzijds te stellen dat zij in bepaalde gevallen er de voorkeur aan geeft dat wel zou geantwoord worden er een discriminerende administratieve procedure in het leven wordt geroepen ?

3. Over welke middelen beschikt de belastingplichtige om de discriminerende toestand aan te klagen wanneer de aanslagambtenaar zijn opmerkingen negeert en niet beantwoordt ?

4. Over welke middelen beschikt de belastingplichtige om de discriminerende toestand aan te klagen wanneer de aanslagambtenaar nalaat om te antwoorden in welke mate hij met de gedane opmerkingen rekening heeft gehouden ?

5. Indien door de aanslagambtenaar met de gedane opmerkingen geheel of gedeeltelijk rekening wordt gehouden, ontstaat dan geen individueel akkoord ? Zouden dan de algemene beginselen van goed bestuur die het recht op rechtszekerheid insluiten niet gebieden dit akkoord schriftelijk te bevestigen ?

6. Werd de rechtspraak van het Hof van beroep te Brussel van 1963 bevestigd door andere hoven van beroep en/of door het Hof van Cassatie en op welke tijdstippen ?

7. Meent de geachte minister niet dat deze rechtspraak voorbijgestreefd is nu dit arrest geen rekening houdt met nationale of internationale rechtsregels en rechtsbeginselen en de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek in artikel 2 naast de wetsbepalingen ook de rechtsbeginselen heeft ingevoegd, het Hof van Cassatie, sinds het smeerkaasarrest van 27 mei 1971, de primauteit van het internationaal verdragsrecht erkent en artikel 2 van de wet van 16 maart 1976 tot wijziging van de rechtspleging betreffende geschillen inzake directe belastingen de administratieve functie van de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar bij het onderzoek van het bezwaarschrift heeft afgeschaft ?

8. Meent de geachte minister niet dat het aangewezen is om nieuwe richtlijnen te verstrekken aan de aanslagambtenaren ?

ANTWOORD

Het is duidelijk dat de aanslagambtenaar vóór het vestigen van de aanslag aandachtig moet onderzoeken of het standpunt dat de administratie in het bericht van wijziging (of van aanslag van ambtswege) heeft ingenomen, kan worden gehandhaafd in het licht van de door de belastingplichtige in antwoord op dat bericht tijdig geformuleerde opmerkingen en voorgebrachte bewijsstukken.

Geen enkele wetsbepaling verplicht de aanslagambtenaar evenwel die opmerkingen te beantwoorden, noch de belastingplichtige een nieuw bericht toe te zenden wanneer hij deze gedeeltelijk aanvaardt (zie het in de vraag geciteerde arrest van 11 maart 1963, inzake Vlimant, alsook de arresten van het Hof van cassatie van 17 december 1963, inzake Delrue - Bulletin der belastingen, nr. 411, blz. 1873 - en van het Hof van beroep te Brussel van 20 september 1988, inzake T.S. - Bulletin der belastingen, nr. 697, blz. 2423). Zoals in de vraag van het geachte lid reeds is vermeld, bevelen de administratieve onderrichtingen evenwel aan om, wanneer belangrijke meningsverschillen blijven bestaan, de belastingplichtige mede te delen in welke mate rekening wordt gehouden met zijn opmerkingen (zie nrs. 346/3 en 4 van de Administratieve Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

Ik zie dan ook niet in hoe op basis van die onderrichtingen tot discriminatie zou kunnen worden besloten.

Bovendien schrijven de permanente onderrichtingen van de administratie der directe belastingen voor dat de aanslagambtenaar aan de inspecteur van zijn ambtsgebied vóór taxatie bepaalde dossiers moet voorleggen waarvoor een blijvend geschil bestaat tussen hem en de belastingplichtige.

In zulke gevallen moet die inspecteur zijn verantwoordelijkheid nemen en mag hij in geen geval zijn goedkeuring hechten aan aanslagen waarvan hij niet volledig gerustgesteld is nopens de gegrondheid.

Wat er ook van zij, de belastingplichtige kan zijn eventueel bezwaarschrift steeds voldoende motiveren door uitdrukkelijk te verwijzen naar de argumenten aangehaald in zijn antwoord op het bericht van wijziging (of van aanslag van ambtswege - zie arrest van het Hof van beroep te Luik van 3 december 1952, inzake PVBA A. Spinaux Cie).

Rekening houdend met wat voorafgaat, acht ik het verstrekken van nieuwe richtlijnen niet nodig.