Parlementaire vraag nr. 504 van mevrouw Pieters van 13.11.2000

VRAAG 00/504
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 72, blz. 8155-8157
Bull. nr. 819, pag. 2291
Vertrouwensbeginsel - Conflict met legaliteitsbeginsel
VRAAG
Door de belastingambtenaren van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) worden bij de grote ondernemingen en de KMO's (middenstanders) grondige gezamenlijke fiscale onderzoekingen ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 333 van het WIB 92.
Die gangbare verificaties spitsen zich over het algemeen vooral toe op loutere herzieningen van afschrijvingspercentages op gebouwen en machineparken en op herzieningen van provisies of voorzieningen voor pensioenen, garantieverplichtingen, groot onderhoud en herstellingskosten, schadegevallen, milieuheffingen, verhuiskosten, enz. Die herzieningen kunnen in de statistieken cijfermatig overigens heel gemakkelijk aanleiding geven tot zeer grote belastingsupplementen.
Algemeen maar nog veel opmerkelijker is nochtans het feit dat op principieel vlak die afschrijvingspercentages en die voorzieningen voor waarschijnlijke lasten, gesteund op eigen ervaringen van de vennootschappen in het verleden door de Administratie der Directe Belastingen na (grondig) onderzoek (al dan niet ter plaatse) zelfs individueel, uitdrukkelijk of stilzwijgend werden aanvaard. Door de AOIF wordt de fiscale aftrekbaarheid (artikelen 49; 52, 6°; 61, eerste lid; 183 en185 van het WIB 92) en/of de vrijstelbaarheid (artikel 48 van het WIB 92) nu volledig op de helling gezet en streng gesanctioneerd. Alle voorheen bestaande stilzwijgende en/of uitdrukkelijke akkoorden worden met "terugwerkende" kracht zonder meer opgezegd. In wezen vormen zo'n afwijkingen van de vaste gedragslijnen van de belastingadministraties slechts eenvoudige boekhoudkundige verschuivingen zonder enig meetbare en daadwerkelijke financiële meerontvangsten op termijn voor de Schatkist.
Uit tal van parlementaire werkzaamheden blijkt nochtans dat de belastingadministraties alle regels van behoorlijk bestuur, fair play, het principe van de rechtszekerheid en het "vertrouwensbeginsel" voortaan integraal zouden onderschrijven en dat hieromtrent weldra ministeriële circulaires zouden worden uitgevaardigd.
1. Hoe rijmt u evenwel voornoemde grondbeginselen van ons Belgisch democratisch rechtsbestel met de algemene handelwijze van de AOIF en haar managers die globaal blijkbaar alleen nog maar oog hebben voor belangrijke statistische inkomstenverhogingen en dito belastingverhogingen ?
2. De belastingplichtigen, waarvan gemiddeld nog maar slechts 3 % wordt gecontroleerd, worden nu nog meer dan vroeger ertoe genoopt om een procedure bij de rechtbank van eerste aanleg in te zetten om opnieuw gelijk te krijgen.
Alle juristen en het merendeel van de rechtspraak zijn het er trouwens unaniem over eens dat alle bestaande bindende en wettige akkoorden slechts voor de "toekomst" bij middel van een aangetekend schrijven kunnen worden opgezegd en/of passend worden gewijzigd, voor zover daartoe uiteraard gegronde wettelijke redenen zouden bestaan. Dergelijke oeverloze fiscale betwistingen over iets waarover vroeger reeds een rechtsgeldig akkoord bestond, uiteindelijk laten beslechten door de fiscale rechtbanken kan uiterst moeilijk kaderen in het fiscale herstructureringsplan, het Copernicusplan, de administratieve vereenvoudiging en in de modernisering van het overheidsapparaat. De gewenste juridische en fiscale filter werkt voorafgaandelijk nagenoeg niet tegen bezwaarschriften en tegen fiscale beroepen. Aan de nu reeds overbelaste gerechtelijke diensten zal bijgevolg nog meer extra werk worden bezorgd.
Kan u terzake de algemene visie van het Hof van Beroep te Antwerpen volgen die stelt dat aan het vertrouwensbeginsel steeds voorrang dient te worden verleend, zelfs wanneer dit in conflict komt met het legaliteitsbeginsel (cf. onder meer Antwerpen, 15 februari 2000)? Volgens dit Hof van Beroep zou het opzeggen van akkoorden met terugwerkende kracht de belastingplichtige immers iedere bewijsmogelijkheid met betrekking tot beroepskosten ontnemen.
3. Kan u uw algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen zowel inzake afschrijvingen als inzake voorzieningen voor waarschijnlijke lasten om dergelijke discriminerende toestanden dringend te laten corrigeren of bij te sturen, zodat alle principes van behoorlijk bestuur geen dode letter worden en dat het "vertrouwensbeginsel" en de "rechtszekerheid" weer onbetwistbaar voorrang zouden krijgen, zoals overigens ook gewild door de soeverein handelende hoven en door de federale ombudsmannen?
ANTWOORD
Het is niet toegelaten een geldig gesloten individueel akkoord met terugwerkende kracht te herzien.
De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat, niettegenstaande het Hof van Beroep te Antwerpen in een bepaald geval gevonnist heeft dat er voorrang dient te worden verleend aan het vertrouwensbeginsel, zelfs wanneer dit in conflict komt met het legaliteitsbeginsel, er door de hoven ook reeds meermaals werd gevonnist dat de beginselen van behoorlijk bestuur evenwel niet vermogen het legaliteits- of het belastingannualiteitsbeginsel terzijde te schuiven. Voormeld Hof van Beroep heeft in een arrest van 3 maart 1998 (de zaak N-N) eveneens gevonnist dat de belastingwetgeving van openbare orde is en zich derhalve uit zijn aard verzet tegen elke toepassing die onverenigbaar is met de uitgevaardigde voorschriften en tegen iedere vorm van ontwijking. Het vertrouwensbeginsel, inhoudende de verplichting tot honorering van de opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen waarop de burger zijn gedrag kan afstemmen, kan in geen geval worden ingeroepen wanneer zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten. Dergelijke zwaarwichtige reden is onmiskenbaar aanwezig wanneer een vermeend akkoord zonder meer strijdig is met de wettelijke voorschriften.
Dit vonnis werd bevestigd door het cassatiearrest van 3 november 2000, in dezelfde zaak.