Parlementaire vraag nr. 60 van de heer Kemal Bilmez van 05.03.2025
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/010 d.d. 07.04.2025, blz. 209
Belemmeringen van de strijd tegen fiscale fraude
VRAAG (van de heer Bilmez)
Uit een rapport van het Rekenhof daterend van juni 2022, getiteld Betalingen aan Belastingparadijzen, blijkt dat de strijd tegen fiscale fraude belemmerd wordt door een aantal wettelijke / juridische contradicties. Zo is er de aanslepende onduidelijkheid betreffende de definiëring van "belastingparadijzen", en het gebrek aan eenduidigheid betreffende de gehanteerde landenlijst (er is een Belgische, een Europese en een OESO-lijst, die elk op andere tijdstippen kunnen gewijzigd worden). Daarnaast ondermijnen bestaande dubbelbelastingverdragen met belastingparadijzen zoals de Verenigde Arabische Emiraten de strijd tegen fiscale fraude. Het regeerakkoord biedt weinig duidelijkheid over de manier waarop deze belemmeringen zullen worden weggewerkt. In tegendeel, we lezen op blz. 44 onder meer dat de regering het netwerk van dubbelbelastingverdragen nog verder wil uitbreiden. 1. Op welke manier zal men een eenduidige lijst van belastingparadijzen juridisch verankeren? Hoe zal de regering rekening houden met eventuele verschillen die kunnen opduiken tussen de Belgische, de Europese en de OESO-lijst? 2. Met welke specifieke landen streeft deze regering bijkomende dubbelbelastingverdragen na? Wat zijn de doeleinden van deze verdragen? Hoe strookt een uitbreiding van het aantal dubbelbelastingverdragen met de strijd tegen fiscale fraude? 3. Zal deze regering bestaande dubbelbelastingverdragen met belastingparadijzen zoals de Verenigde Arabische Emiraten opzeggen? Indien niet, hoe strookt deze beslissing met de strijd tegen fiscale fraude waar deze regering zo hard op inzet?
ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)
De wet verplicht vennootschappen om betalingen aan zogenaamde belastingparadijzen aan te geven op een bijlage bij de aangifte in de vennootschapsbelasting, zodra deze betalingen een bepaalde drempel overschrijden. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 307 § 1/2 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). Dit artikel bepaalt dat drie categorieën van staten in aanmerking worden genomen. Een aangifteplicht ontstaat zodra een staat onder één van deze categorieën valt. De samenstelling van de lijst van belastingparadijzen wordt regelmatig geactualiseerd en kan variëren op Belgisch, Europees en OESO-niveau (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Om transparantie te garanderen, biedt circulaire 2021/C/112 van 20 december 2021 een overzichtstabel met de betrokken staten, de categorie waaronder ze vallen en de periode waarin ze geviseerd worden. De federale regering volgt deze evoluties nauwgezet op en streeft naar coherentie tussen de verschillende lijsten, met respect voor internationale verplichtingen en samenwerkingsverbanden. Daarnaast wordt bij de onderhandelingen over dubbelbelastingverdragen steeds rekening gehouden met het belang van fiscale transparantie en fraudebestrijding, in lijn met de internationale normen. Het voornaamste doel van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting is het voorkomen van de situatie waarin een belastingplichtige zowel aan de Belgische Staat als aan de verdragsluitende staat belasting zou verschuldigd zijn over hetzelfde belastbare feit door de heffingsbevoegdheid te regelen. Dergelijke verdragen behandelen diverse soorten van belastbare feiten, zoals bijv. lonen, bedrijfsleidersbezoldigingen, winst, pensioenen en eigendom van onroerende goederen. De onderhandelaars waken er hierbij over dat de verdragen niet leiden tot dubbele vrijstellingen. Dit doel, dat een analyse van de bijzonderheden van het belastingstelsel van de partnerstaat vereist, wordt benadrukt in de preambule van de verdragen en is een leidraad bij de interpretatie ervan. Deze preambule maakt samen met een algemene antimisbruikbepaling deel uit van de minimumstandaarden van het BEPS-project (Base Erosion and Profit Shifting) van de OESO en de G20. Daarnaast bevatten de meeste verdragen ook bepalingen over het uitwisselen van informatie voor belastingdoeleinden. Deze bepalingen laten toe dat mijn administratie, naar aanleiding van een belastingonderzoek, vragen kan stellen aan de staat in kwestie over de fiscale situatie van een belastingplichtige, en deze bepalingen garanderen ook dat de staat in kwestie een antwoord op de gestelde vragen overmaakt. Ook bevatten vele verdragen bepalingen met betrekking tot bijstand voor het invorderen van belastingen. Het sluiten van zogenaamde dubbelbelastingverdragen belemmert dus de strijd tegen de belastingfraude niet, maar kan in tegendeel een hulpmiddel zijn om belastingfraude op te sporen en de effectieve inning van belastingschulden te verzekeren. Op dit ogenblik streeft mijn administratie ernaar om verdragen tot stand te brengen met Andorra, Duitsland, Kenya, Kosovo en Liechtenstein. Deze verdragen zullen voldoen aan de normen van het BEPS-project en aan de internationale normen voor de uitwisseling van informatie. Ze zullen bovendien zo worden ontworpen dat dubbele vrijstellingen worden vermeden. Een reeks verdragen die al zijn ondertekend maar nog niet van kracht zijn, zullen eerst in overeenstemming worden gebracht met de normen van het BEPS-project en de internationale normen voor de uitwisseling van informatie voordat ze aan het Parlement worden voorgelegd. Deze conformiteit is met name noodzakelijk voor de verdragen die zijn ondertekend met Botswana, Moldavië, Oman, Oeganda, en Tadzjikistan. De regering is niet voornemens om bestaande dubbelbelastingverdragen te beëindigen. Dubbelbelastingverdragen, zoals onder meer de Overeenkomst tussen België en de Verenigde Arabische Emiraten, bevatten te dien einde essentiële provisies die erop gericht zijn fiscaal relevante informatie uit te wisselen, hetgeen bijdraagt aan de strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking. De bepalingen binnen een dubbelbelastingverdrag die gericht zijn op het bepalen van het fiscaal inwonerschap en het alloceren van de heffingsbevoegdheid beperken de mogelijkheden tot agressieve fiscale planning.
