Parlementaire vraag nr. 1599 van de heer Devlies van 05.03.2007
Parlementaire vraag nr. 1599 van de heer Devlies dd. 05.03.2007
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2006-2007, nr. 157, blz. 30436-30439
Verlaagd tarief aanvullende pensioenen - Begrip "effectief actief" - Referteperiode
VRAAG
Ingevolge de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact wordt de belastingheffing op pensioenkapitalen opgebouwd in de tweede pensioenpijler door werkgeversbijdragen of door de ondernemingsbijdragen en die ten vroegste bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd worden uitgekeerd, verlaagd van 16,5 % naar 10 % op voorwaarde dat de belastingplichtige tot aan de wettelijke pensioenleeftijd effectief actief is gebleven (artikel 171, 2°, b), tweede streepje, WIB 1992).
Tijdens de parlementaire bespreking hebben wij vragen gesteld over wat onder « effectief actief » dient te worden verstaan. In het bericht aan de werkgevers met betrekking tot fiches 281.11 wordt het begrip effectief actief » nu ingevuld. De administratie definieert een referteperiode, met name drie jaar vóór de wettelijke pensioenleeftijd. Daarnaast voorziet het in een aantal gevallen waarbij de inactiviteit al dan niet in aanmerking wordt genomen als activiteitsperiode.
1. Kan u nader toelichten waarom de administratie kiest voor een driejarige referteperiode en geen andere termijn?
2. Kan u de wettelijke grondslag aanwijzen waarop de administratie zich steunt om deze referteperiode te bepalen?
3. Voegt uw administratie hier niet een arbitrair gekozen voorwaarde toe aan de wet?
4. Bent u van mening dat diegene die de fiche moet opmaken, kan nagaan of de uitzonderingen van toepassing zijn, bijvoorbeeld of de begunstigde onvrijwillig werkloos is, ingeschreven is als werkzoekend en ook actief naar werk zoekt tijdens de referteperiode?
5. Hoe moet men het «effectief actief » zijn beoordelen van iemand die palliatief verlof neemt tijdens de referteperiode?
6. Bent u van mening dat dergelijke open begrippen niet verenigbaar zijn met het legaliteitsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid?
7. Lokt men met zulke open normen niet eerder gerechtelijke betwistingen uit of is het een politieke beleidskeuze van de minister om ruimte te bieden aan de mogelijkheid te transigeren in individuele gevallen?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 07.03.2007)
Zoals het geachte lid wel weet, heeft de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact onder meer als doel de beroepsbevolking ertoe aan te zetten langer te werken, met name tot bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd (doorgaans 65 jaar).
In antwoord op uw eerste 3 vragen kan ik u bevestigen dat ik, teneinde deze reglementering soepel toe te passen, bereid ben gevonden om enkel de 3 jaren voorafgaand aan de wettelijke pensioenleeftijd, dus doorgaans de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 62 jaar, in aanmerking te nemen voor de vaststelling of iemand al dan niet tot aan die wettelijke pensioenleeftijd effectief actief is gebleven.
Diezelfde leeftijd van 62 jaar is terug te vinden in artikel 7 van het Generatiepact voor wat betreft de toekenning van een pensioenbonus. De regering was daarbij immers van oordeel dat de bonusjaren zich tussen ten vroegste 60 en uiterlijk 65 moeten situeren.
Bovendien is één van de doelstellingen die de federale overheid en de gewesten en gemeenschappen in samenwerking met de sociale partners in het kader van de uitvoering van de Strategie van Lissabon wil halen de gemiddelde uittredingsleeftijd, het ogenblik waarop de arbeidsmarkt wordt verlaten, vast te stellen op 62 jaar. ». Het ligt dan ook voor de hand dat deze leeftijd of een periode van 3 jaar voorafgaand aan de wettelijke pensioenleeftijd - en geen langere periode - in aanmerking wordt genomen om na te gaan of belastingplichtige zich al dan niet in een periode van activiteit bevindt. Deze keuze is dan ook absoluut niet arbitrair vastgesteld.
In antwoord op vraag 4 stel ik vast dat het gunstig belastingregime enkel van toepassing is wanneer de pensioenkapitalen worden uitgekeerd aan belastingplichtige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt en die tot dan effectief actief is gebleven.
De eerste voorwaarde biedt geen problemen voor de uitkerende instellingen. Indien bij de betaling of toekenning van de pensioenkapitalen er evenwel twijfel over bestaat of ook aan de 2de voorwaarde is voldaan, kan de schuldenaar van de inkomsten ter zake steeds bijkomende inlichtingen vragen, hetzij aan de werkgever of onderneming die de bijdragen of premies heeft gestort, hetzij aan belastingplichtige zelf. In het door u geciteerde geval, is het begrip « effectief actief » verbonden aan de werkloosheidsreglementering. Het louter feit dat iemand recht heeft op werkloosheidsuitkeringen volstaat reeds om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voldoet en dus fiscaal als «effectief actief» kan worden aangemerkt. Dit lijkt mij geen onmogelijk te leveren bewijs.
In geval niet afdoende is aangetoond dat belastingplichtige in aanmerking komt voor het gunstig fiscaal regime, kan dat in het stadium van de berekening van de bedrijfsvoorheffing uiteraard niet worden toegekend.
Belastingplichtige die toch meent in aanmerking te komen voor het gunstig fiscaal regime kan bij het indienen van zijn/haar aangifte in de personenbelasting het eerder door de uitkerende instelling ingenomen standpunt weerleggen en alsnog de nodige bewijsmiddelen voorleggen.
Het palliatief verlof beoogd in uw 5de vraag wordt geregeld door diverse koninklijke besluiten afhankelijk van de sector waar belastingplichtige is tewerkgesteld. Ongeacht de sector van tewerkstelling kan belastingplichtige in het kader van het palliatief verlof :
- ofwel de prestaties volledig schorsen gedurende 1 maand (verlengbaar met 1 maand per patiënt);
- ofwel de prestaties verminderen gedurende 1 maand (verlengbaar met 1 maand per patiënt).
Ik ben van mening dat de periode tijdens dewelke de arbeidsprestaties volledig of gedeeltelijk worden geschorst met de bedoeling binnen de desbetreffende reglementering het recht op palliatief verlof te doen gelden, als een periode van activiteit moet worden aangemerkt.
Wat uw laatste twee vragen betreft, deel ik u mede dat de specifieke situaties uiteengezet in het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten met betrekking tot de opmaak van de individuele fiche 281.11 en de samenvattende opgave 325.11 allen zijn gebaseerd op aan mijn administratie voorgelegde vragen. Ik zal dat bericht trouwens ter gelegenheid van een volgende bijwerking laten aanvullen met het hiervoor ingenomen standpunt inzake het palliatief verlof.
Bij de beoordeling van het al dan niet aanmerken van bepaalde periodes als periodes van activiteit werd rekening gehouden met de bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen eigen aan iedere situatie afzonderlijk, bijvoorbeeld de pensioenwetgeving, de arbeids-reglementering, de sociale wetgeving, de werkloosheidsreglementering, enzovoort. Bovendien werd er over gewaakt om ook periodes van inactiviteit die het gevolg zijn van overmachtsituaties zoals ziekte, arbeidsongeschiktheid en invaliditeit met periodes van activiteit gelijk te stellen.
In tegenstelling tot wat het geachte lid beweert, betreft het dan ook geen «open begrippen of normen» maar wel degelijk bestaande begrippen, elk afzonderlijk onderworpen aan een eigen specifieke wetgeving en reglementering en dus voor iedereen duidelijk en zo eenvoudig mogelijk toe te passen.
