Parlementaire vraag nr. 1461 van mevrouw Pieters van 09.11.2006
VRAAG 06/1461
Vraag nr. 1461 van mevrouw Pieters dd. 09.11.2006
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 153, blz. 29589
Voorafgaande beslissing - Ruling - Precedentswaarde
VRAAG
Uit verschillende persmededelingen blijkt dat de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen (DVB) thans stilaan op kruissnelheid werkt en dat er zich tot nu toe maar relatief weinig grote vertragingen voordeden.
Zowel ter gelegenheid van het onderzoek van de ingediende aanvragen als bij lezing van de anoniem gepubliceerde rulings op «Fisconet» komen de fiscalisten en accountants evenwel tot de algemene bevinding dat de DVB ter gelegenheid van het onderzoek van de aanvragen voortaan welbepaalde voorwaarden gaat opleggen in plaats van zich enkel strikt te «beperken» tot het onderzoek van de haar voorgelegde tekst, feiten en motivering.
Ter zake rijzen daarbij de volgende algemene praktische en juridische vragen.
1.
a) Kan de DVB alle ingediende aanvragen voortaan nog altijd binnen de voorgeschreven termijn afhandelen?
b) Zo neen, wat zijn thans de gemiddelde wachttijden?
2. Is het de DVB en zijn onderzoekende commissieleden en werkgroepen eenzijdig toegelaten om aan de aanvragen zomaar extra «voorwaarden» te gaan koppelen vooraleer hij een gunstige beslissing kan of wil treffen?
3. Mag de DVB zich ter zake gaan mengen in het beheer van een onderneming en welke rechten kan de aanvrager en zijn raadgever daartegen mondeling en schriftelijk inbrengen en bij wie?
4. Op grond van welke precieze wettelijke en reglementaire bepalingen mag de DVB voorwaarden gaan opleggen?
5. Moet er niet eerder streng en zuinig worden omgesprongen met die specifieke opportuniteitsbeoordeling en (verboden) compensatie?
6. Vormt de oplegging van (extra) toekenningsvoorwaarden niet tegelijkertijd een bevoegdheidsoverschrijding en een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder ambtelijke neutraliteit, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en het volkomen respect voor het grondwettelijk legaliteitsbeginsel ( cf. principe « dura lex sed lex »)?
7. Dienen de in de aanvraag vermelde feitelijke en juridische elementen door de DVB niet uitsluitend te worden getoetst aan het bestaande wettelijke kader inzake directe en/of indirecte belastingen?
8.
a) Mogen de taxatieambtenaren op hun beurt die bij individuele rulings naderhand opgelegde voorwaarden eveneens doortrekken in andere belasting- en BTW-dossiers en/of als motivering in de zin van artikel 346 WIB 1992 aanwenden bij andere belastingplichtigen om over te gaan tot taxatie inzake directe belastingen?
b) Welke juridische precedentswaarde hebben al die individuele rulings of beslissingen van de DVB ten aanzien van andere BTW- en belastingplichtigen?
9. Kunt u punt per punt uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van de bepalingen van de artikelen 20 tot en met 28 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, als in het licht van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en van alle beginselen van behoorlijk bestuur?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 09.02.2007)
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te vinden op haar vragen.
1. Artikel 21, 5de lid van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken voorziet dat een beslissing aan de aanvrager wordt meegedeeld binnen een termijn van drie maanden.
a) De DVB kan, zoals bepaald in het hierboven vermelde 5e lid van de wet van 24 december 2002, in overleg met de aanvrager, de bedoelde termijn van drie maanden wijzigen. Soms vereist de complexiteit van een aanvraag ook een langere behandelingsduur dan drie maanden. De DVB probeert steeds in overleg met de aanvrager een termijn te bepalen en zich daaraan te houden;
b) op heden beloopt de gemiddelde behandelingstijd van een aanvraag 95 dagen.
2. Zoals uit de definitie van een voorafgaande beslissing blijkt (terug te vinden in artikel 20, 2e lid, van de bovenvermelde wet), wordt een voorafgaande beslissing gegeven op basis van de van kracht zijnde bepalingen. De DVB, evenals de andere diensten van de FOD Financiën, is dan ook niet gemachtigd voorwaarden op te leggen welke niet in de wet terug te vinden zijn.
De DVB dient echter regelmatig begrippen, die in ons fiscaal wetboek voorkomen, te interpreteren. Zo kan ik als voorbeeld verwijzen naar het begrip rechtmatige financiële of economische behoeften» dat onder meer voorkomt in artikel 211, § 1, 2de lid, 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Door een aantal engagementen te vragen wordt door de DVB enkel verduidelijking verschaft over de invulling, door de FOD Financiën, van dit begrip.
Ik meen dat door de invulling van bepaalde begrippen de DVB meer duidelijkheid verschaft aan de belastingplichtigen.
3. Het is evident dat het aan DVB niet toegelaten is om zich te mengen in het beheer van een onderneming maar de DVB dient wel op de hoogte gesteld te worden van alle mogelijks met de voorgelegde verrichting verband houdende, vroegere of latere, verrichtingen. In de wetgeving is geen expliciete procedure voorzien om tegen een beslissing van de DVB in beroep te gaan. Het lijkt mij ook niet aangewezen om een dergelijke procedure te voorzien aangezien we ons hier steeds in een situatie bevinden die nog geen gevolgen op fiscaal vlak heeft. Het staat de aanvrager immers vrij om de verrichting die voorgelegd werd aan de DVB al dan niet door te voeren en dit ook indien er geen gunstige voorafgaande beslissing bekomen werd.
4. Ik meen dat op deze vraag reeds geantwoord werd in het antwoord op vraag 2.
5. Gelet op de voorgaande antwoorden meen ik deze vraag reeds beantwoord te hebben.
6. Aangezien er door de DVB geen bijkomende voorwaarden worden opgelegd doch enkel invulling wordt gegeven van bepaalde begrippen uit de fiscale wetboeken, meen ik dat de DVB haar bevoegdheid niet overschrijdt en zich strikt houdt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
7. Iedere aanvraag wordt effectief beoordeeld aan de hand van de door de aanvrager vermelde feitelijke en juridische elementen. Het is echter evident dat de door de aanvrager aangehaalde feitelijke en juridische elementen niet steeds volstaan om een gunstige beslissing te bekomen. De DVB probeert dan, in samenspraak met de aanvrager en natuurlijk zonder van de wettelijke bepalingen af te wijken, tot een oplossing te komen. Het is onder meer in dit kader dat eventueel bijkomende engagementen worden gevraagd door de DVB.
8.
a) Ieder dossier wordt door de DVB afzonderlijk beoordeeld. Aangezien de feitelijke omstandigheden in ieder dossier verschillend zijn, lijkt het mij niet vanzelfsprekend dat de taxatieambtenaren zich in dossiers systematisch zouden beroepen op een voorafgaande beslissing van de DVB. Ook bij een mogelijke taxatie dienen alle feitelijke en juridische elementen aangedragen door de belastingplichtige in overweging te worden genomen.
b) Het is de feitenrechter die zal uitmaken of een individuele ruling al dan niet precedentswaarde heeft in de zaak die hem wordt voorgelegd.
Vraag nr. 1461 van mevrouw Pieters dd. 09.11.2006
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 153, blz. 29589
Voorafgaande beslissing - Ruling - Precedentswaarde
VRAAG
Uit verschillende persmededelingen blijkt dat de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen (DVB) thans stilaan op kruissnelheid werkt en dat er zich tot nu toe maar relatief weinig grote vertragingen voordeden.
Zowel ter gelegenheid van het onderzoek van de ingediende aanvragen als bij lezing van de anoniem gepubliceerde rulings op «Fisconet» komen de fiscalisten en accountants evenwel tot de algemene bevinding dat de DVB ter gelegenheid van het onderzoek van de aanvragen voortaan welbepaalde voorwaarden gaat opleggen in plaats van zich enkel strikt te «beperken» tot het onderzoek van de haar voorgelegde tekst, feiten en motivering.
Ter zake rijzen daarbij de volgende algemene praktische en juridische vragen.
1.
a) Kan de DVB alle ingediende aanvragen voortaan nog altijd binnen de voorgeschreven termijn afhandelen?
b) Zo neen, wat zijn thans de gemiddelde wachttijden?
2. Is het de DVB en zijn onderzoekende commissieleden en werkgroepen eenzijdig toegelaten om aan de aanvragen zomaar extra «voorwaarden» te gaan koppelen vooraleer hij een gunstige beslissing kan of wil treffen?
3. Mag de DVB zich ter zake gaan mengen in het beheer van een onderneming en welke rechten kan de aanvrager en zijn raadgever daartegen mondeling en schriftelijk inbrengen en bij wie?
4. Op grond van welke precieze wettelijke en reglementaire bepalingen mag de DVB voorwaarden gaan opleggen?
5. Moet er niet eerder streng en zuinig worden omgesprongen met die specifieke opportuniteitsbeoordeling en (verboden) compensatie?
6. Vormt de oplegging van (extra) toekenningsvoorwaarden niet tegelijkertijd een bevoegdheidsoverschrijding en een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder ambtelijke neutraliteit, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en het volkomen respect voor het grondwettelijk legaliteitsbeginsel ( cf. principe « dura lex sed lex »)?
7. Dienen de in de aanvraag vermelde feitelijke en juridische elementen door de DVB niet uitsluitend te worden getoetst aan het bestaande wettelijke kader inzake directe en/of indirecte belastingen?
8.
a) Mogen de taxatieambtenaren op hun beurt die bij individuele rulings naderhand opgelegde voorwaarden eveneens doortrekken in andere belasting- en BTW-dossiers en/of als motivering in de zin van artikel 346 WIB 1992 aanwenden bij andere belastingplichtigen om over te gaan tot taxatie inzake directe belastingen?
b) Welke juridische precedentswaarde hebben al die individuele rulings of beslissingen van de DVB ten aanzien van andere BTW- en belastingplichtigen?
9. Kunt u punt per punt uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van de bepalingen van de artikelen 20 tot en met 28 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, als in het licht van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en van alle beginselen van behoorlijk bestuur?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 09.02.2007)
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te vinden op haar vragen.
1. Artikel 21, 5de lid van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken voorziet dat een beslissing aan de aanvrager wordt meegedeeld binnen een termijn van drie maanden.
a) De DVB kan, zoals bepaald in het hierboven vermelde 5e lid van de wet van 24 december 2002, in overleg met de aanvrager, de bedoelde termijn van drie maanden wijzigen. Soms vereist de complexiteit van een aanvraag ook een langere behandelingsduur dan drie maanden. De DVB probeert steeds in overleg met de aanvrager een termijn te bepalen en zich daaraan te houden;
b) op heden beloopt de gemiddelde behandelingstijd van een aanvraag 95 dagen.
2. Zoals uit de definitie van een voorafgaande beslissing blijkt (terug te vinden in artikel 20, 2e lid, van de bovenvermelde wet), wordt een voorafgaande beslissing gegeven op basis van de van kracht zijnde bepalingen. De DVB, evenals de andere diensten van de FOD Financiën, is dan ook niet gemachtigd voorwaarden op te leggen welke niet in de wet terug te vinden zijn.
De DVB dient echter regelmatig begrippen, die in ons fiscaal wetboek voorkomen, te interpreteren. Zo kan ik als voorbeeld verwijzen naar het begrip rechtmatige financiële of economische behoeften» dat onder meer voorkomt in artikel 211, § 1, 2de lid, 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Door een aantal engagementen te vragen wordt door de DVB enkel verduidelijking verschaft over de invulling, door de FOD Financiën, van dit begrip.
Ik meen dat door de invulling van bepaalde begrippen de DVB meer duidelijkheid verschaft aan de belastingplichtigen.
3. Het is evident dat het aan DVB niet toegelaten is om zich te mengen in het beheer van een onderneming maar de DVB dient wel op de hoogte gesteld te worden van alle mogelijks met de voorgelegde verrichting verband houdende, vroegere of latere, verrichtingen. In de wetgeving is geen expliciete procedure voorzien om tegen een beslissing van de DVB in beroep te gaan. Het lijkt mij ook niet aangewezen om een dergelijke procedure te voorzien aangezien we ons hier steeds in een situatie bevinden die nog geen gevolgen op fiscaal vlak heeft. Het staat de aanvrager immers vrij om de verrichting die voorgelegd werd aan de DVB al dan niet door te voeren en dit ook indien er geen gunstige voorafgaande beslissing bekomen werd.
4. Ik meen dat op deze vraag reeds geantwoord werd in het antwoord op vraag 2.
5. Gelet op de voorgaande antwoorden meen ik deze vraag reeds beantwoord te hebben.
6. Aangezien er door de DVB geen bijkomende voorwaarden worden opgelegd doch enkel invulling wordt gegeven van bepaalde begrippen uit de fiscale wetboeken, meen ik dat de DVB haar bevoegdheid niet overschrijdt en zich strikt houdt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
7. Iedere aanvraag wordt effectief beoordeeld aan de hand van de door de aanvrager vermelde feitelijke en juridische elementen. Het is echter evident dat de door de aanvrager aangehaalde feitelijke en juridische elementen niet steeds volstaan om een gunstige beslissing te bekomen. De DVB probeert dan, in samenspraak met de aanvrager en natuurlijk zonder van de wettelijke bepalingen af te wijken, tot een oplossing te komen. Het is onder meer in dit kader dat eventueel bijkomende engagementen worden gevraagd door de DVB.
8.
a) Ieder dossier wordt door de DVB afzonderlijk beoordeeld. Aangezien de feitelijke omstandigheden in ieder dossier verschillend zijn, lijkt het mij niet vanzelfsprekend dat de taxatieambtenaren zich in dossiers systematisch zouden beroepen op een voorafgaande beslissing van de DVB. Ook bij een mogelijke taxatie dienen alle feitelijke en juridische elementen aangedragen door de belastingplichtige in overweging te worden genomen.
b) Het is de feitenrechter die zal uitmaken of een individuele ruling al dan niet precedentswaarde heeft in de zaak die hem wordt voorgelegd.
Bron: FisconetPlus
