Parlementaire vraag nr. 868 van de heer Lefevre van 14.01.2002

VRAAG 02/868
Bull. nr. 831, pag. 3292-3293
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 115, blz. 14011-14012
Arrest Arbitragehof - Belastingvrije som ongehuwd samenwonenden
VRAAG
In een arrest van 6 november 2001 spreekt het Arbitragehof zich uit over het feit dat elk van beide nietgehuwde samenwonende partners voor het aanslagjaar 2001 bij wet een belastingvrije som van 210.000 frank verleend werd, terwijl de wet elk van beide echtgenoten slechts een belastingvrije som van 167.000 frank toekende. Voor het hof betreft het hier een nietgerechtvaardigde ongelijke behandeling van gehuwden en samenwonenden.
Met de wet van 10 augustus 2001 wordt nu komaf gemaakt met die ongelijkheid, doordat de belastingvrije som voor elk van beide echtgenoten opgetrokken wordt. Die bepaling treedt evenwel pas in werking vanaf het aanslagjaar 2005.
Denkt u naar aanleiding van bovengenoemd arrest een wijziging van de datum van inwerkingtreding van die nieuwe bepaling voor te stellen, of verkiest u het vooruitzicht dat uw administratie de bezwaarschriften zal moeten behandelen die ongetwijfeld op grond van dat arrest zullen worden ingediend voor de aanslagjaren 2001 tot en met 2004?
ANTWOORD
Weliswaar wordt er in het arrest nr. 140/2001 van 6 november 2001 van het Arbitragehof gesteld dat er een onverantwoord verschil in behandeling bestaat tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden, maar is het hof van mening dat die discriminatie niet te wijten is aan artikel 131 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (dat het basisbedrag van de belastingvrije som van alleenstaanden en van elke echtgenoot bepaalt), maar dat zij voortvloeit uit het feit dat, aangezien de wetgever in geen enkele bijzondere bepaling ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden heeft voorzien, op laatstgenoemden de bepaling wordt toegepast die de alleenstaande belastingplichtigen betreft. Het hof besluit dat in zoverre die discriminatie niet berust op artikel 131 van het voormelde wetboek, die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Ik acht het dan ook niet noodzakelijk de inwerkingtreding te wijzigen van de bepalingen van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting die ertoe strekken een even hoge belastingvrije som te verlenen aan echtgenoten en aan alleenstaanden.