Parlementaire vraag nr. 719 van de heer Suykerbuyk van 24.03.1994

VRAAG 94/719
Bull. nr. 743, blz. 3103
Bedrijfsvoorheffing - Buitenlandse podiumkunstenaar - Buitenlandse sportbeoefenaar - Voordeel van alle aard
VRAAG
Afgezien van het verdragsrecht, wordt de al dan niet belastbaarheid van inkomsten uit werkzaamheden van buitenlandse podiumkunstenaars geregeld door artikel 228, § 2, 8°, van het Wetboek der inkomstenbelasting, zoals het laatst werd gewijzigd door de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen.
Graag zou ik van de geachte minister een antwoord bekomen op hetgeen volgt.
De bedrijfsvoorheffing moet, als definitieve belasting, berekend worden op het totaal aan de kunstenaar uitbetaalde bedrag, met uitzondering van de vergoedingen en beloningen die rechtstreeks worden betaald of toegekend voor bepaalde diensten of werken die geen direct verband houden met de artistieke prestatie.
Dit regime heeft tot gevolg dat de buitenlandse podiumkunstenaar strenger behandeld wordt dan zijn Belgische collega.
Wanneer namelijk een rijksinwoner als podiumkunstenaar optreedt zonder er zijn beroep van te maken en dit daarenboven eerder occasioneel gebeurt is de vergoeding die hij ontvangt niet belastbaar. Volgens de huidige administratieve interpretatie van de wetgeving is echter (afgezien van het verdragsrecht) de vergoeding die een buitenlandse podiumkunstenaar ontvangt altijd belastbaar. Hier kan dus klaarblijkelijk gesproken worden van een discriminatie van de buitenlandse podiumkunstenaar, welke zelfs juridisch zou kunnen aangevochten worden wanneer het gaat om een buitenlander wonend in een lidstaat van de Europese Unie.
1. Zou het niet logisch zijn te beslissen dat buitenlandse amateurs, amateursgroepen of minderjarigen, die slechts sporadisch als podiumkunstenaar optreden, buiten het toepassingsveld van artikel 228, § 2, 8°, WIB vallen, mits het occasioneel karakter van hun optreden gestaafd wordt door een attest afgeleverd door het bevoegde ministerie of de ambassade van het land van de betrokken podiumkunstenaar(s) ?
2. De vergoedingen en bezoldigingen voor de opbouw van decors, tribunes of licht- of geluidsinstallaties worden beschouwd als uitgaven die geen direct verband houden met de artistieke prestatie van de buitenlandse podiumkunstenaar en zijn als dusdanig niet onderhevig aan de bedrijfsvoorheffing. Daaruit kan men besluiten dat de sommen die rechtstreeks betaald worden aan een derde persoon voor het verstrekken van logies van buitenlandse podiumkunstenaars of voor hun vervoer (hetzij aan een buitenlandse of een Belgische vervoeronderneming) a fortiori geen direct verband hebben met de artistieke prestaties en derhalve niet aan de bedrijfsvoorheffing moeten onderworpen worden.
Kan de geachte minister met deze zienswijze akkoord gaan ?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna de antwoorden op zijn vragen te vinden.
1. Om belastingvermijding te verhinderen werd het noodzakelijk geacht de inkomsten die - zonder bemiddeling van Belgische inrichtingen - voortkomen uit door niet-inwonende podiumkunstenaars persoonlijk en in die hoedanigheid in België verrichte werkzaamheden, ongeacht de omstandigheden waarin de werkzaamheden worden verricht (in dienstverband of zelfstandig, geregeld of toevallig) en ongeacht aan wie de inkomsten worden betaald of toegekend (aan de podiumkunstenaar zelf dan wel aan een andere natuurlijke of rechtspersoon), op te nemen in een afzonderlijke aan de belasting van niet-inwoners onderworpen categorie inkomsten.
Derhalve werd het bepaalde in artikel 228, § 2, 3°, c, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgeheven en ingevolge artikel 23, van de wet van 28 juli 1992, houdende fiscale en financiële bepalingen vervangen door een nieuw artikel 228, § 2, 8°.
Die rangschikking in een afzonderlijke inkomstencategorie waarborgt een éénvormige fiscale behandeling van die inkomsten zonder dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen geregelde en occasionele werkzaamheden.
Gelet op de bedoeling van de wetgever kan geen afwijking op de voormelde bepalingen worden toegestaan.
2. De bedrijfsvoorheffing is momenteel eenvormig vastgesteld op 18 pct. van het brutobedrag van de betrokken inkomsten (cf. nr. 65, van bijlage III bij het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 1993, vierde uitgave).
Het brutobedrag van die inkomsten omvat de eigenlijke beloningen, de vergoedingen als terugbetaling van werkelijke kosten die eigen zijn aan de podiumkunstenaar, de voordelen van alle aard, enz.
Verplaatsings- en verblijfskosten worden als voordelen van alle aard aangemerkt indien ze rechtstreeks aan een derde worden betaald, en als de terugbetaling van werkelijke kosten indien ze aan de podiumkunstenaar zelf worden betaald.
Bij de vaststelling van het tarief van 18 pct. werd overigens op forfaitaire wijze rekening gehouden met de kosten van de podiumkunstenaar (zie Kamer, buitengewone zitting 1991-1992, stuk 444/9, blz. 157).
3. Ik wens evenwel de aandacht van het geachte lid erop te vestigen dat ik, naar aanleiding van welbepaalde grieven van de betrokken sector in verband met dat tarief van 18 pct. en de daarbij in aanmerking genomen forfaitaire kosten, heb beslist aan de Koning een ontwerp van besluit ter ondertekening voor te leggen met het oog op de wijziging van de hierboven vermelde huidige eenvormige regeling.
Deze wijziging die momenteel door de administratie der Directe Belastingen wordt voorbereid, strekt ertoe het bij voortduur normaliter toepasselijke tarief van 18 pct. te vervangen door het tarief van 12 pct., in geval aan de administratie het bewijs wordt geleverd dat bepaalde eigen beroepskosten van de podiumkunstenaar of sportbeoefenaar 2/3 van het ontvangen brutobedrag te boven gaat.