Parlementaire vraag nr. 439 van de heer Lambert van 26.07.2004

VRAAG 04/439

Vraag nr. 439 van de heer Lambert dd. 26.07.2004


Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 055, blz. 8515-8519

Bijdragen "Vlaamse Zorgverzekering" - Persoonlijke sociale bijdrage

VRAAG

In antwoord op eerder gestelde parlementaire vragen betreffende de zorgverzekering stelde u dat de verplichte bijdragen voor de "Vlaamse Zorgverzekering " geen aftrekbare beroepskosten zijn omdat ze niet zouden beantwoorden aan de algemene voorwaarden van artikel 49 van het WIB 1992.

Overeenkomstig artikel 52, 7°, WIB 1992 worden de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving nochtans als beroepskosten aangemerkt. De uitgaven zoals bedoeld in artikel 52, 7°, WIB 1992 worden van rechtswege aangemerkt als beroepskosten tenzij de administratie bewijst dat het geen beroepskosten zijn ten gevolge van de toepassing van de artikelen 53 tot 66 WIB 1992 ( cf. artikel 52 van het WIB 1992).

Dat de verplichte solidaire bijdrage voor de Vlaamse Zorgverzekering een persoonlijke bijdrage is ter uitvoering van de sociale wetgeving kan moeilijk ontkend worden. De bijdrage wordt immers dwingend opgelegd door de artikelen 4, § 1, en 13, 3°, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering. Bij niet-betaling van deze bijdrage zijn penale sancties voorzien overeenkomstig artikel 21bis van voormeld decreet.

Het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering heeft duidelijk een algemeen sociaal doel en behoort dus tot de sociale wetgeving. Voormelde bijdrage is dus een bijzondere sociale bijdrage in de zin van artikel 52, 7°, WIB 1992 zoals de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid. De solidaire bijdrage voor de Vlaamse Zorgverzekering werd echter, in tegenstelling tot laatstgenoemde bijdrage, niet expliciet als beroepskost uitgesloten krachtens artikel 53 WIB 1992 ( cf. artikel 53, 4°, van het WIB 1992).

De administratie dient te bewijzen dat de uitgave geen beroepskosten zouden zijn met toepassing van de artikelen 53 tot 66 WIB 1992, bijvoorbeeld omdat de uitgave van persoonlijke aard is of niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid ( cf. artikel 53, 1°, WIB 1992).

Een simpele principiële bewering dat de bijdrage geen beroepskost zou zijn volstaat niet. De uitzonderingsregels van artikel 53 van het WIB 1992 dienen strikt te worden geïnterpreteerd, dit wil zeggen dat de uitgaven van strikt persoonlijke aard moeten zijn of dat de uitgaven volstrekt onnodig zijn voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

De door de overheid opgelegde solidaire bijdrage voor de Vlaamse Zorgverzekering kan geen private uitgave zijn in de zin van artikel 53, 1°, WIB 1992. Een private uitgave of een uitgave van persoonlijke aard is een uitgave die het gevolg is van een strikt persoonlijke keuze of een persoonlijke behoefte of een overweging van strikt persoonlijke aard die uitsluitend te situeren is in het privé-leven.

De bijdrage voor de Vlaamse Zorgverzekering heeft betrekking op de openbare sociale orde en kan niet toegeschreven worden aan de persoonlijke keuze of behoefte van betrokkene of een overweging van persoonlijke aard. De belastingplichtige heeft hier niet te kiezen of te overwegen. Hij sluit geen persoonlijk contract af met de zorgverzekeraar. Hij is verplicht zich aan te sluiten bij een erkende zorgkas ( cf. artikel 4 van voormeld decreet). De zorgkassen moeten wegens hun organisatie beschouwd worden als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap ( cf. artikel 15, 2°, van voormeld decreet). Het bedrag van de solidaire bijdrage wordt vastgesteld door de Vlaamse regering (artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 betreffende de organisatie, het beheer, de werking en de erkenning van zorgkassen) die ook de regels bepaalt voor vrijstelling of vermindering van deze bijdrage wanneer de gebruiker in een behartenswaardige toestand verkeert ( cf. artikel 23ter van voormeld decreet).

Om als beroepskosten aftrekbaar te zijn vereist artikel 49, WIB 1992 bovendien niet dat er een band van noodzakelijkheid wordt aangetoond tussen de uitgave en de uitoefening van de beroepswerkzaamheid of het behoud of verkrijgen van beroepsinkomsten. Het is noodzakelijk, doch voldoende dat die uitgaven bijdragen tot het verkrijgen of het behouden van de beroepsinkomsten ( cf. Antwerpen, 23 maart 1993 FJF 94/60).

Het is alleszins niet vereist dat zij exclusief met de beroepsactiviteit verband houden ( cf. Cass. 30 januari 1962, Pas. 1962, I, 633: Brussel, 4 februari 1964, J; Prat. Dr. Fise. 1965, 166).

De uitgave in kwestie draagt, bijvoorbeeld voor een ambtenaar, zeker bij tot het behouden of verkrijgen van beroepsinkomsten vermits tucht- en penale sancties worden vermeden.

Overeenkomstig artikel 7, 1°, van het Statuut van het rijkspersoneel is een ambtenaar immers verplicht de van kracht zijnde wetten en reglementen van de overheid na te leven. Bij niet-betaling van deze bijdrage kan de ambtenaar tuchtsancties oplopen, overeenkomstig artikel 13 van Statuut van het rijkspersoneel, alsook penale sancties, die het verlies van beroepsinkomsten kunnen inhouden. Dit blijkt eveneens uit de instructie van 1 juli 1997 inzake de tuchtregeling bij het ministerie van Financiën.

Uit het voorgaande blijkt dat er, zeker wat betreft de ambtenaren, wel degelijk een verband is met de beroepswerkzaamheid en de administratie kan dus niet beweren dat de uitgave volstrekt onnodig zou zijn voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 53, 1°, WIB 1992.

Doordat de administratie de aftrek als beroepskost weigert, heft ze in werkelijkheid nogmaals een belasting op een sociale belasting die de Vlaamse Gemeenschap ten goede komt. Volgens een circulaire van 23 april 2003 zijn de persoonlijke bijdragen die door de ziekenfondsen in het kader van hun financiële verantwoordelijkheid bij hun gerechtigden worden geïnd als beroepskosten aftrekbaar overeenkomstig artikel 52, 7°, WIB 1992.

Alhoewel deze bijdragen eigenlijk aan de gerechtigden werden opgelegd wegens de financiële verantwoordelijkheid van hun ziekenfondsen voor de begrotingstekorten die niet zomaar zijn toe te schrijven aan de beroepswerkzaamheden van de gerechtigden, en niemand verplicht is zich bij een bepaald ziekenfonds aan te sluiten en de omvang van het bedrag van die bijdrage bepaald wordt door de eigen keuze die men heeft gemaakt voor een bepaald ziekenfonds en niet afhankelijk is van de omvang van de beroepsinkomen, beschouwd de administratie deze bijdragen niet als private uitgaven maar als beroepskosten in de zin van artikel 52, 7°, WIB 1992.

De administratie gebruikt hier duidelijk twee maten en twee gewichten.

1. Hoe verantwoordt u op objectieve en redelijke wijze het onderscheid inzake de fiscale aftrekbaarheid tussen de bijdragen voor de Vlaamse Zorgverzekering en de persoonlijke bijdragen die aan de ziekenfondsen werden betaald in het kader van hun financiële verantwoordelijkheid?

2. Kan u uw objectieve en redelijke motivering meedelen waarop u steunt om voormelde bijdrage niet als een aftrekbare persoonlijke sociale bijdrage aan te zien in de zin van artikel 52, 7°, WIB 1992, in het bijzonder ten aanzien van de ambtenaren?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 25.11.2004)

Ik heb de eer het geachte lid het volgende mede te delen.

In aansluiting op mijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 129 van 13 november 2003 van volksvertegenwoordiger mevrouw Dalila Douifi ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 37, blz. 5723) en op de mondelinge parlementaire vraag nr. 3234 van volksvertegenwoordiger Carl Devlies ( Integraal Verslag, Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, Com. 320, van 6 juli 2004, blz. 7 en 8) bevestig ik nogmaals dat de ledenbijdragen van de zorgverzekering niet als aftrekbare beroepskosten op grond van artikel 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) kunnen worden aangemerkt, daar zij niet zijn gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De ten lastenemingen van de kosten van niet-medische hulp door de zorgkas worden voor de verkrijgers immers ook niet als een belastbaar inkomen aangemerkt in de zin van het WIB 1992.

De ledenbijdragen kunnen evenmin worden aangemerkt als een bijdrage in de zin van artikel 52, 7°, WIB 1992, daar de zorgverzekering niet kadert in het domein van de sociale zekerheid.

Overeenkomstig artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is immers enkel de federale overheid bevoegd inzake sociale zekerheid.

De Raad van State bevestigt ter zake in zijn advies omtrent het decreet (Vlaams Parlement, Parl. St. 1239, 1998-1999, nr. 3, blz. 9) dat "het niet gaat om een regeling die gebruik maakt van het bestaande systeem van de federale sociale zekerheid".

Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 33/2001 van 13 maart 2001 ( Belgisch Staatsblad van 27 maart 2001) eveneens geoordeeld "dat de Vlaamse Gemeenschap een bevoegdheid heeft uitgeoefend die de hare was, zonder zich bevoegdheden toe te eigenen die de Grondwet en bijzondere wet tot hervorming van de instellingen aan de federale overheid voorbehouden".