Parlementaire vraag nr. 340 van de heer De Roo van 30.03.1993
VRAAG 93/340
Bull. nr. 730, pag. 2406
Pensioensparen - Anticipatieve heffing
De fiscale programmawet van 28 december 1992 heeft heel wat wijzigingen in het pensioensparen doorgevoerd. Eén van deze vernieuwingen was de zogenaamde "anticipatieve heffing". De belastingheffing op de uitgekeerde kapitalen vermindert met 16,5 pct. tot 10 pct., tenminste voor dat gedeelte van de uitkering dat onderworpen is geweest aan de regeling van "de verbeterde gemiddelde aanslagvoet", en gebeurt reeds bij het bereiken van de zestigjarige leeftijd van de spaarder, ook al vindt er nog geen effectieve uitkering plaats. Nadien kan de spaarder nog steeds bijdragen bijstorten ten voordele van zijn pensioenfonds of zijn pensioenverzekering. Deze bijdragen blijven echter van het belastingvoordeel genieten en zullen bij de effectieve uitkering op 65 jaar niet meer extra belast worden.
Waarom worden deze bijdragen onbelast gelaten ondanks het feit dat zij een belastingvoordeel hebben genoten ?
Overweegt de geachte minister initiatieven ter zake ?
ANTWOORD :
Uit de memorie van toelichting (Kamer van volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1992-1993, stuk 717/1-92/93, blz. 30) bij het ontwerp van wet dat uiteindelijk de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen is geworden, blijkt duidelijk dat het inzake het lange-termijnsparen de bedoeling van de wetgever is geweest, de inning van de directe belasting bij de vervaldag van het contract te vervangen door een indirecte taks die geheven wordt op het ogenblik dat de spaarder de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt en dat die anticipatieve heffing bij de vereffening van het kapitaal vervangt.
Op het vlak van de inkomstenbelastingen wordt die vrijstelling geregeld door artikel 515bis, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd door artikel 98 van de wet van 28 december 1992.
De aandacht van het geachte lid wordt erop gevestigd dat de taks op het lange-termijnsparen krachtens artikel 187 van het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen, zoals ingevoegd door artikel 117 van de voormelde wet, mag worden ingehouden op de afkoopwaarden, pensioenen, renten, kapitalen of spaartegoeden. Na die inhouding zal er bijgevolg een lager bedrag overblijven van de in het kader van het pensioensparen gevormde sommen, zodat het rendement tot aan de daadwerkelijke uitkering ook lager zal zijn. Het toestaan van een belastingvermindering voor de stortingen die zijn verricht na het vestigen van de indirecte taks lijkt mij dan ook verantwoord als compensatie voor dit lagere rendement.
In die omstandigheden acht ik het niet opportuun enig initiatief te nemen om die vrijstellingen ongedaan te maken.
Bron: FisconetPlus
