Parlementaire vraag nr. 610 van de heer Hatry van 07.02.1994
VRAAG 94/610
Vraag nr. 610 van de heer Hatry dd. 07.02.1994
Bull. nr. 740, pag. 1579
Inbreng in vennootschap - Inbreng in onroerende goederen of geldsommen - Vrijgestelde meerwaarde - Herbeleggingsvoorwaarde
Op de parlementaire vraag nr. 599 van 17 juni 1993 (bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, nr. 70 van 9 augustus 1993, blz. 6705 - Bull. 733) van de heer Vergote heeft de minister van Financiën geantwoord dat een onroerend goed dat een vennootschap ingevolge een niet- belastingvrije inbreng heeft verkregen, met uitsluiting van de waarde van de grond, door die vennootschap als een geldige herbelegging in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van artikel 47, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Het is niet duidelijk waarom deze herbelegging beperkt wordt tot de niet-belastingvrije inbrengen, vooral niet omdat artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 1993 betreffende de jaarrekeningen van de ondernemingen (Belgisch Staatsblad van 23 december 1993) bepaalt dat wanneer een inbreng van een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen verwezenlijkt wordt in het stelsel van belastingvrijstelling, namelijk op grond van artikel 46, § 1, 2°, de elementen die hiervan deel uitmaken, ingebracht moeten worden tegen hun boekhoudkundige waarde.
1. Graag vernam ik in het licht van dat koninklijk besluit het standpunt van de geachte minister in het volgende geval :
Het onroerend goed wordt ingebracht in het kader van een algemeenheid van goederen in het stelsel van belastingvrijstelling en is door de inbrengende vennootschap nooit gebruikt in het kader van artikel 47, § 2, van het WIB. Het wordt dus ingebracht tegen de boekhoudkundige waarde die het had in de rekeningen van de inbrengende vennootschap.
Kan het gebruikt worden als wederbelegging door de vennootschap waarin de inbreng plaatsvindt ?
2. Indien de geachte minister het standpunt dat hij verwoord heeft in de parlementaire vraag nr. 599 aanhoudt, rijst de vraag of de beperking van de herbelegging tot onroerende goederen ingebracht buiten het stelsel van belastingvrijstelling niet strijdig is met de wet.
3. Wat is de ratio legis van deze beperking ?
ANTWOORD
Het antwoord op de eerste door het geachte lid gestelde vraag luidt ontkennend, gelet op het algemene fiscale neutraliteitsbeginsel als bedoeld in de artikelen 46, § 2 en 212 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De omstandigheid dat de ingebrachte activa op het tijdstip van de inbreng in de boekhouding van de verkrijgende vennootschap worden opgenomen tegen de waarde waarvoor zij in de boekhouding van de inbrengende onderneming voorkwamen, wijzigt de draagwijdte van voormeld neutraliteitsbeginsel niet.
