Parlementaire vraag nr. 1194 van de heer Pinxten van 07.01.2003
VRAAG 03/1194
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 159, blz. 20480-20482
Bull. nr. 843, pag. 3284-3286
Aanrekening belastingvrije som voor kinderen ten laste - Buitenlandse inkomsten
VRAAG
De toeslagen op de belastingvrije sommen voor kinderen ten laste, zoals bepaald in artikel 131, WIB 1992, worden bij voorrang aangerekend op het inkomensdeel van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen.
In de praktijk betekent dit dat de toeslag steeds aangerekend wordt op het hoogste beroepsinkomen, zelfs als dit laatste een vrijgesteld inkomen is. In deze gevallen gaat de vermindering voor kinderen ten laste dan ook verloren.
Als de voorgenomen wijzigingen van het dubbelbelastingverdrag met Nederland van kracht zullen zijn, betekent dit dat een groot aantal grensarbeiders die in Nederland belastingen zullen moeten betalen en wier inkomen in België als vrijgesteld inkomen zal aangemerkt worden, in de praktijk geen effectieve belastingvermindering voor kinderen ten laste meer zullen genieten.
1. Dient het begrip "bij voorrang" zoals geformuleerd in artikel 134, WIB 1992, niet als zodanig geïnterpreteerd te worden dat wanneer deze regeling in het nadeel van de betrokkenen zou zijn, de toeslag mag aangerekend worden op het inkomensdeel van de echtgenoot met de laagste beroepsinkomsten? De bewoording "bij voorrang" in de wet wijst er toch op dat hier het voordeel van de belastingplichtigen beoogd werd, zoniet heeft de invoeging van deze woorden geen enkele zin.
2. Is er thans geen discriminatie tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden, daar deze laatsten, door het feit dat ze apart belast worden, kunnen kiezen wie van de twee de kinderen ten laste neemt en bij wie aldus de toeslag aangerekend wordt?
ANTWOORD (07.03.2003)
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden op zijn vragen te willen vinden.
1. Artikel 134, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals gewijzigd door artikel 26, A, van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting en van toepassing voor de aanslagjaren 2003 en 2004) bepaalt de volgorde van aanrekening van de in de artikelen 132 en 133, 2° en 3°, van hetzelfde wetboek vermelde toeslagen op de belastingvrije som, waaronder de toeslagen voor kinderen ten laste, bij echtgenoten die samen worden belast.
Overeenkomstig die bepaling moeten die toeslagen "bij voorrang", dat wil zeggen in de eerste plaats, worden aangerekend op het inkomensdeel van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen. Alleen in het geval waarin het totaal van die toeslagen dat inkomensdeel overtreft, mag het saldo op het inkomensdeel van de andere echtgenoot worden aangerekend.
Die volgorde van aanrekening is van openbare orde en geldt bijgevolg zonder onderscheid voor alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden, dat wil zeggen alle gehuwde personen voor wie de aanslag overeenkomstig artikel 126, § 2, van het bovenvermelde wetboek (zoals gewijzigd door artikel 19, A, van de wet van 10 augustus 2001) op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd.
2. Het onderscheid dat momenteel in de personenbelasting wordt gemaakt tussen de gehuwde en de alleenstaande belastingplichtigen steunt op het objectieve gegeven dat hun juridische toestand verschilt.
Ik zal mijn administratie niettemin opdracht geven na te gaan of een andere fiscale behandeling in het door het geachte lid beoogde geval gerechtvaardigd is.
Volledigheidshalve herinner ik eraan dat de wettelijk samenwonenden vanaf het aanslagjaar 2005 (inkomsten van het jaar 2004) voor de toepassing van de regels inzake de personenbelasting, worden gelijkgesteld met de gehuwden.
Bron: FisconetPlus
