Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Alain Mathot van 19.12.2011
Parlementaire vraag nr. 54 van de heer Alain Mathot dd. 19.12.2011
Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 49 van 17.01.2012., blz. 76
Vennootschapsbelasting
Administratie van de bijzondere belastinginspectie
Bestrijding van de belastingontduiking
Internationale belastingontduiking
Witwassen van geld
Fiscaal paradijs
VRAAG
Het Franse Tracfin, een orgaan dat belast is met de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, publiceerde onlangs zijn jaarverslag 2010. In het verslag wordt melding gemaakt van een vrij onrustbarende trend die blijkbaar in Frankrijk weer de kop opsteekt, namelijk een stijging van het aantal gevallen van fraude volgens het piramidesysteem, ook "Ponzischema" genaamd (naar Charles Ponzi, die deze techniek in de jaren twintig in de Verenigde Staten toepaste). Zoals bekend was het voor deze vorm van oplichting, die erin bestaat om de eerste investeerders te betalen met de stortingen van latere investeerders zonder dat daarbij reële waarde wordt gecreëerd, dat de Amerikaan Bernard Madoff in 2009 tot een gevangenisstraf van 150 jaar werd veroordeeld. Criminaliteit stopt niet bij de landsgrenzen en dezelfde oplichtingspraktijken kwamen ook aan het licht in de recente zaak-Kiener. Kiener werd op 22 juli 2011 in Duitsland veroordeeld tot tien jaar en acht maanden gevangenisstraf voor het opzetten van een piramideconstructie via het hedgefonds K1. Helmut Kiener bleef de verliezen opstapelen, maar slaagde er dankzij het zogenaamde Ponzi-schema om dat te verdoezelen. Toen de instanties die in Duitsland toezicht houden op de financiële markten in 2001 de praktijken van de fondsenbeheerder begonnen te wantrouwen, verplaatste hij zijn activiteiten naar de Britse Maagdeneilanden, een belastingparadijs. Tien jaar later had hij een schuldenlast van 315 miljoen euro opgebouwd. Hij werd opgepakt en veroordeeld tot tien jaar gevangenis. Dat was niets te vroeg. Het is van algemene bekendheid dat de erg ondoorzichtige hedgefondsen geregeld gebruikt worden voor dit soort constructies en ook voor witwaspraktijken. Men weet ook dat hedgefondsen vaak een veilige haven vinden in bekende belastingparadijzen en er buiten het bereik van de fiscus vallen. Dat is vooral het geval voor de Kaaimaneilanden, de Britse Maagdeneilanden en Bermuda.
1. Zijn er in België constructies volgens het Ponzischema aan het licht gekomen of wordt er bijzonder onderzoek naar verricht ?
2. De toepassing van strengere maatregelen ten opzichte van belastingparadijzen is al lang een van de belangrijkste aanbevelingen in het kader van de bestrijding van witwaspraktijken en belastingfraude.
a) Wat is de situatie met betrekking tot de dubbelbelastingverdragen die werden gesloten met de belastingparadijzen uit de OESO-lijst (OECD, Organisation for Economic Co-operation and Development) sinds de goedkeuring in mei 2009 van het verslag en meer in het bijzonder aanbeveling 97 van de onderzoekscommissie belast met het onderzoek van de grote fiscale fraudedossiers ?
b) Heeft ons land deze verdragen opgezegd, zoals aanbevolen in het verslag, teneinde te voorkomen dat wij de kwalijke gevolgen moeten ondergaan van grootschalige belastingontduiking ?
3. Bij de evaluatie van de uitvoering van de aanbevelingen die de onderzoekscommissie had geformuleerd, hebt u het Rekenhof erop gewezen dat ons land geen behoefte heeft aan CFC- (Controlled Foreign Company) of FIF- (Financial Information Forum) normen die van toepassing zouden zijn voor bedrijven en investeringsfondsen in de landen die voorkomen op de lijst met jurisdicties waar inzake belastingen gemeenrechtelijke bepalingen gelden die aanzienlijk gunstiger zijn dan in België en dit soort ontduiking zouden kunnen voorkomen. U hebt uw standpunt dienaangaande niet verder onderbouwd.
a) Kunt u ons hierover meer uitleg verschaffen ?
b) Zijn in de verdragen met belastingparadijzen misschien nu al mechanismen ingebouwd die net zo performant zijn als die welke de Verenigde Staten sinds 1972 toepassen ?
ANTWOORD (van de heer Vanackere, vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken)
1. De constructie van het type "Ponzi" is een mechanisme dat gekend is bij de Algemene administratie van de strijd tegen de fiscale fraude (BBI) die terzake enkele dossiers in behandeling heeft.
2. Sedert 2008 spreekt men niet langer in termen van "belastingparadijzen" maar voornamelijk over de zogenaamde "niet-coöperatieve" staten, als zijnde de staten die niet bereid zijn om de internationale standaard inzake transparantie en uitwisseling van fiscale inlichtingen na te leven. Op dit ogenblik zijn er geen "niet-coöperatieve" staten. Alle staten die daartoe werden verzocht (meer dan 100 in totaal) hebben immers verklaard deze internationale standaard te implementeren en hebben zich daartoe gegroepeerd in het 'Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes'. Een van de belangrijkste pijlers van de voormelde internationale standaard is de bereidheid tot het uitwisselen van fiscale inlichtingen, inclusief inlichtingen die in het bezit zijn van financiële instellingen. Om aan de standaard te voldoen, dient een Staat onder meer over een voldoende uitgebreid netwerk van akkoorden of verdragen te beschikken die voorzien in de uitwisseling van fiscale inlichtingen en moet hij bereid zijn om in te gaan op een verzoek van een andere staat om dergelijke akkoorden of verdragen te sluiten.
2. a) Rekening houdend met de koerswijziging inzake belastingparadijzen op internationaal niveau heeft België zich sedert het voorjaar van 2009 bij voorrang gericht op de aanpassing en uitbreiding van zijn netwerk van verdragen en akkoorden teneinde te voldoen aan de voormelde internationale standaard. Met staten waarmee België reeds een algemene overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting had gesloten is er daarbij geopteerd voor een aanpassing van het bestaande artikel inzake de uitwisseling van inlichtingen. Andere staten, waaronder het merendeel van de landen die door de OESO voorheen als belastingparadijs werden beschouwd, werden door België gecontacteerd met het verzoek een Taks Information Exchange Agreement te sluiten (op dit ogenblik heeft België met 14 van deze staten een TIEA ondertekend). De volledige stand van zaken aangaande deze akkoorden en overeenkomsten kan worden geraadpleegd op de website http://fiscus.fgov.be/interfafznl/nl/international/conventions/index.htm. Niettemin is België in sommige gevallen bereid onderhandelingen te voeren voor het sluiten van een algemene overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingen met staten die voorheen werden aangemerkt als "belastingparadijzen", zeker indien er sprake is van een vaststaand economisch belang.
b) Rekening houdend met de hierboven aangehaalde fundamentele koerswijziging aangaande belastingparadijzen verkiest België, net als alle andere staten, om op dit ogenblik de resultaten van de 'Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes' af te wachten. Pas vanaf dan zullen de staten die niet voldoen aan de internationale standaard definitief bekend zijn en zullen er gepaste defensieve maatregelen kunnen worden genomen, eventueel in overleg met de andere OESO-lidstaten. Of het opzeggen van een overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting een gepaste maatregel kan zijn, zal geval per geval moeten worden beoordeeld.
3. In de eerste plaats vestig ik de aandacht van het geachte lid erop dat het letterwoord "FIF" in deze context staat voor "Foreign Investment Fund" en niet voor "Financial Information Forum" (te weten een private organisatie dat bedrijven groepeert die te maken hebben met de verwerking van financiële informatie).
3. a) en b) De CFC- en FIF-wetgevingen voorzien in de belastingheffing van niet-toegekende inkomsten van buitenlandse oorsprong die in de bronstaat niet of zeer laag werden belast. Concreet gezien zal bijvoorbeeld de aandeelhouder van de gecontroleerde vennootschap worden belast op zijn proportioneel deel van de inkomsten van de gecontroleerde vennootschap op het ogenblik dat deze inkomsten worden verwezenlijkt door deze vennootschap. Bij een latere uitkering van dividenden of bij verkoop van de deelneming zal er met de initiële belastingheffing naar aanleiding van de toepassing van de CFC-regels moeten worden rekening gehouden om juridische dubbele belasting te vermijden. Uit de studie door mijn administratie blijkt dat dit soort wetgeving heel complex is, zeker indien men wenst te komen tot een efficiënte en gerichte set van maatregelen. Zo moet onder meer worden bepaald welke buitenlandse entiteiten men viseert, of men daarbij ook rekening wenst te houden met het fiscaal transparante karakter van de buitenlandse entiteit of niet, wat men verstaat onder een "laag belaste" vennootschap, of men hierbij rekening houdt met het nominaal of werkelijk tarief, en hoe men in dat laatste geval het werkelijk tarief gaat bepalen. Indien men in België een CFC- of FIF-wetgeving zou invoeren zullen de huidige wettelijke regels voor deelnemingen moeten worden aangepast om dubbele belasting te vermijden. Ook het Europees Gemeenschapsrecht, inzonderheid de vrijheid van vestiging, legt op dat men slechts onder strikte voorwaarden een CFC-wetgeving kan voeren. Het Europees Hof van Justitie (EVHJ) heeft op 12 september 2006 in de zaak van Cadbury-Schweppes (C-196/04) geoordeeld dat CFC-wetgeving moeten worden beperkt tot een anti-misbruikregel gericht tegen het stallen van winsten in vennootschappen die als een kunstmatige constructie zijn te beschouwen. Indien de gecontroleerde vennootschap over "substantie" beschikt, dus daadwerkelijk in de lidstaat met lage belastingdruk is gevestigd maar daar effectief activiteiten uitoefent, kunnen de CFC-regels niet worden toegepast. Daarnaast is België, net zoals nog een aantal andere OESO-lidstaten, van mening dat de CFC- en FIF-regels in de meeste gevallen strijdig zijn met de bepalingen van de door België gesloten overeenkomsten ter vermijding van dubbele belasting (zie paragrafen 27.4 tot 27.9 van de commentaar op het artikel 1 van het OESO-model). Op basis van alle voorgaande elementen acht België het aangewezen het misbruik dat CFC- en FIF-wetgeving tracht tegen te gaan, op een andere manier te bestrijden, en dit via bijzondere bepalingen zowel in de overeenkomsten ter vermijding van dubbele belasting als in de nationale wetgeving. Zo dringt België bij de partnerlanden aan om in de overeenkomsten ter vermijding van dubbele belasting een specifieke bepaling op te nemen waardoor de voordelen die in de overeenkomst zijn vastgelegd niet worden toegekend voor inkomsten die verband houden met een kunstmatige constructie (artikel 27, paragraaf 3, van het meest recente Belgische modelverdrag). Ten slotte, wat betreft de vermijding van dubbele belasting op dividenden van buitenlandse oorsprong, verwijzen vele Belgische overeenkomsten naar de geldende Belgische wetgeving inzake de vermijding van dubbele belasting op dividenden, inclusief de daarin opgenomen maatregelen ter bestrijding van dubbele vrijstelling (cf. meer bepaald artikel 203 WIB 92). De in het meest recente Belgische Modelverdrag ter zake opgenomen bepaling is aangepast aan de hogervermelde rechtspraak van het EHVJ.
