Parlementaire vraag nr. 1133 van mevrouw Nahima Lanjri van 26.07.2016

Parlementaire vraag nr. 1133 van mevrouw Nahima Lanjri dd. 26.07.2016

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/90 dd. 07.10.2016, blz. 349

Roerende voorheffing op woonrechtcertificaten

VRAAG (van mevrouw Lanjri)

Enkele zorgbedrijven, steden en gemeenten hebben een specifieke koopformule, die het aankopen van een serviceflat voor ouderen en zorgbehoevenden makkelijker en goedkoper moet maken, het woonrechtcertificaat. Dit certificaat is eigenlijk een "recht op wonen" dat aan de oudere of zorgbehoevende wordt verkocht als een vastrentende obligatie. Deze persoon moet op zijn of haar beurt een inleg doen voor de verwerving van dat certificaat. Enkel wanneer men dat doet, heeft men recht of "voorrang" om de serviceflat te bewonen. Met een woonrechtcertificaat belegt de resident, net als bij een obligatie, een kapitaal. Dat kapitaal geldt als inleg en staat gedurende 20 jaar vast. Na 20 jaar wordt 100% van het ingelegd kapitaal terugbetaald. Natuurlijk krijg je bij een obligatie elk jaar rente in geld uitbetaald, maar bij een woonrechtcertificaat wordt deze rente elk jaar - 20 jaar lang - omgezet in "het recht om in uw eigen serviceflat te wonen" en betaalt de resident dus geen huur. Hiermee bespaar je volgens de brochures veel belastingen en kosten uit, zoals onroerende voorheffing, registratierechten op de aankoop van een woning, btw op nieuwbouw, notariskosten, onderhouds- en vernieuwingkosten, enz. Het enige dat je wel betaalt zijn de jaarlijkse roerende voorheffing en de maandelijkse onkosten voor de gemeenschappelijke delen van het gebouw. Vroeger bedroeg deze jaarlijkse roerende voorheffing nog maar 15%, maar nu is deze al opgeklommen tot 27%, wat maakt dat de certificaathouders vandaag geconfronteerd worden met een sterke stijging van hun belastingen, naast een sterke stijging van de maandelijkse kosten (elektriciteit, water, gas, ...). Dit maakt dat in verschillende gevallen de bewoners veel meer betalen dan dat ze in het begin konden weten bij het intekenen op zo'n woonrechtcertificaat. De ingewikkelde juridische uitwerking van deze koopformule helpt hier natuurlijk ook niet bij.

1. a) Onderkent u deze problematiek?

b) Zo ja, wat zijn de mogelijke oplossingen?

2. a) Kan de minister verduidelijken of het mogelijk is om dergelijke zorgbedrijven en of woonrechtcertificaten mee te nemen in het toepassingsgebied van de 15% roerende voorheffing voor gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV) en vastgoedbevaks, aangezien u enige tijd geleden hebt aangekondigd om de verhoging naar 27% ongedaan te maken vanaf 1 januari 2017?

b) Zo nee, waarom dan?

c) Zo ja, welke timing voorziet u?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Een woonrechtcertificaat wordt fiscaal gelijkgesteld met een schuldvordering waarbij op de eruit voortvloeiende opbrengsten overeenkomstig artikel 269, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) een roerende voorheffing van 27 % verschuldigd is. Het klopt dat dit tarief de afgelopen jaren stelselmatig is opgetrokken van 15 % tot de huidige 27 %, maar deze tariefverhoging geldt eveneens voor het gros van de overige inkomsten van roerende goederen en kapitalen. Er zal binnenkort een wetsontwerp houdende diverse bepalingen ter stemming aan het Parlement worden voorgelegd met daarin onder andere de invoering van een tarief roerende voorheffing van 15 % op dividenden uitgekeerd door BEVAKS en gereglementeerde vastgoed-vennootschappen (GVV's) die tenminste 60 % van hun vastgoed rechtstreeks of onrechtstreeks beleggen in onroerende goederen die uitsluitend of hoofdzakelijk voor aan gezondheidszorg aangepaste woonzorgeenheden aangewend worden of bestemd zijn. Dit verlaagde tarief betreft in feite de gedeeltelijke herstelling van het bij de wet van 26 december 2015 opgeheven artikel 269, § 1, 3°, WIB 92, waarbij dividenden uitgekeerd door residentiële vastgoedbevaks of - GVV's aan een roerende voorheffing-tarief van 15 % onderworpen werden. Ook toen werd er een onderscheid gemaakt tussen de dividenden uitgekeerd door een residentiële vastgoedbevak of - GVV (roerende voorheffing van 15 %) en de intresten die zij toekende aan haar obligatiehouders (algemeen roerende voorheffing-tarief). De federale regering heeft op dit ogenblik geen plannen om dit verlaagde tarief roerende voorheffing van toepassing op bepaalde uitgekeerde dividenden door te trekken naar de inkomsten toegekend aan obligatiehouders.