Parlementaire vraag nr. 205 van de heer Marco Van Hees van 04.03.2015
Parlementaire vraag nr. 205 van de heer Marco Van Hees dd. 04.03.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/036 dd. 03.08.2015, blz. 140
Inkomstenbelasting. - Vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing. - Discriminatie bij indienstnemingen.
VRAAG
De artikelen 275/1 tot 275/9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorzien in een algemene vrijstelling en een aantal specifieke vrijstellingen van storting van de bedrijfsvoorheffing. Dankzij die vrijstellingen kunnen de werkgevers een deel van de voorheffing, die zij op de brutolonen inhouden en dan doorstorten aan de fiscus, voor zich houden. Uit vakbondsbron vernemen we dat die bepaling leidt tot discriminatie van niet-alleenstaande werknemers bij indienstnemingen. Door de toepassing van het huwelijksquotiënt en eventuele belastingverminderingen voor kinderen ten laste, zijn zij een lagere voorheffing verschuldigd en is het belastingvoordeel voor de werkgever kleiner. De werkgever wordt er dus toe aangezet alleenstaanden aan te werven. Volgens dezelfde logica wordt de werkgever er eveneens toe aangezet geen grenswerknemers in dienst te nemen. Er zijn ons gevallen ter ore gekomen van werkgevers die hun grenswerknemers, die werden aangeworven voor de vrijstellingen van storting van de bedrijfsvoorheffing werden ingevoerd, onder druk zetten om dat statuut op te geven. Overweegt u die bepalingen te herzien of te schrappen, om een eind te maken aan dergelijke vormen van discriminatie bij indienstnemingen?
ANTWOORD
De bedrijfsvoorheffing wordt inderdaad berekend op het inkomen van de werknemers, rekening houdende met hun persoonlijke toestand, zoals burgerlijke stand, personen ten laste en inkomen en aard van het inkomen van de partner. Het spreekt voor zich dat dit in de meeste gevallen een invloed heeft voor de werkgevers op het bedrag van de ingehouden niet door te storten bedrijfsvoorheffing. Ik heb echter geen kennis van het feit dat dit aanleiding zou geven tot discriminaties op het vlak van aanwervingen. Iedere vorm van discriminatie is immers bij wet streng verboden. Indien iemand wegens zijn burgerlijke staat of dergelijke effectief zou worden gediscrimineerd, kan de betrokkene hiertegen steeds juridische stappen ondernemen. Ik zie echter niet de noodzaak om de maatregelen inzake vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te wijzigen of in te trekken.
