Parlementaire vraag nr. 104 van mevrouw Claes van 29.04.2008

VRAAG 08/104
Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 024, blz. 5423-5426
Onderzoeken inzake directe belastingen en inzake btw - Machtsafwending en machtsoverschrijding
VRAAG
Zowel de ambtenaren verbonden aan de Controlecentra van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit als aan de Bijzondere Belastinginspectie kunnen in principe de toepassing van alle belastingen controleren en beschikken daarbij over de bevoegdheden die de fiscale wetten hen voor de te controleren belastingen bepalen.
In de praktijk wordt echter algemeen vastgesteld dat de btw-ambtenaren de boekhouding al dan niet tegen ontvangstmelding meenemen om ten kantore door de belastingambtenaren te laten verifiëren en om vervolgens aan de hand daarvan berichten van wijziging op te stellen en/of administratieve sancties op te leggen. De door de btw-ambtenaren meegenomen boekhoudkundige stukken worden meestal zelf door de belastingambtenaren terugbezorgd aan de belastingplichtige.
Omgekeerd valt het eveneens veel voor dat de belastingambtenaren namens de btw-sector op hun beurt op grond van artikel 322 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vragen om inlichtingen versturen. Aan de hand van de daarmee al dan niet indiciair ingewonnen inlichtingen worden door de btw-ambtenaren dan btw-boeten opgelegd en correctie- of regularisatieopgaven opgesteld.
Het merendeel van de fiscalisten en de rechtspraak is enerzijds overtuigend van mening dat het in al dergelijke gevallen om ongeoorloofde «machtsafwending» of «machtsoverschrijding» gaat en dat anderzijds al die onwettig ingezamelde informatie buiten beschouwing moet worden gelaten dat de daaruit voortvloeiende aanslagen of invorderingstukken nietig moeten worden verklaard.
Machtsafwending of machtsoverschrijding wordt algemeen gedefinieerd als een vorm van illegaliteit van bestuurshandelingen wanneer het bestuur een handeling of een onderzoeksdaad stelt met een ander oogmerk dan datgene dat door de eigen wet is bedoeld.
Ter zake rijzen dan ook de volgende algemene praktische vragen in verband met gezamenlijke of polyvalente verificaties.
1. a) Werden in dit verband al administratieve onderrichtingen of specifieke instructies uitgevaardigd of interne handleidingen opgesteld ?
b) Zo neen, waarom nog altijd niet ?
2. Impliceert de huidige btw- en belastingwetgeving wel dat die polyvalente ambtenaren bij het gezamenlijk onderzoek van één belasting zonder meer integraal gebruik mogen maken van de onderzoeksmethoden die slechts voorzien zijn in één van de «andere» directe of indirecte belastingwetgeving ?
3. Mogen zowel de btw- als de belastingambtenaren over het algemeen trachten gegevens te verzamelen via een andere weg of via het omzeilen van de procedureregelen respectievelijk alleen eigen aan de btw-sector of aan de belastingsector ?
4. Op welke wijze en bij welke hogere instanties kunnen de belastingplichtigen zich zowel in fase van onderzoek als in fase van reclamatie tegen die zogezegde vorm van machtsafwending of machtsoverschrijding telkens verzetten ?
5. Kan u punt per punt uw performante en klantvriendelijke ziensen handelwijze meedelen onder meer in het licht van de bepalingen van de artikelen 335 en 336 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 93 quaterdecies, § 2 en 3 van het btw- Wetboek en van alle beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het verbod van machtsafwending, alsook in het licht van het deontologisch kader voor de ambtenaren zoals uiteengezet in de omzendbrief nr. 573 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2007?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, 24.06.2008)
Krachtens artikel 95 van de wet van 15 maart 1999 ( Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999) betreffende de beslechting van fiscale geschillen hebben de administratie van de bijzondere belastinginspectie en de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF) en hun ambtenaren de bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en hun ambtenaren.
Ter zake ontvingen de ambtenaren van de AOIF de passende onderrichtingen (instructie Ci.RH.81/ 534.479 van 11 december 2000).
De ambtenaar van de AOIF moet in het kader van een onderzoek naar de naleving van de btw-wetgeving een beroep doen op de onderzoeks- en controlebevoegdheden die voormelde wetgeving hem toekent, en voornoemde ambtenaar moet in het kader van een onderzoek naar de naleving van de wetgeving op de inkomstenbelastingen in deze een beroep doen op de bevoegdheden hem toegekend door deze laatste wetgeving.
Op grond van de gemene bepalingen voor alle belastingen (in dit geval, de bepalingen van de artikelen 335 en 336 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en deze van artikel 93 quaterdecies btw-wetboek):
- is elke ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of rechtspersoon, van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen te nemen, op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren;
- kan elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of bekomen door een ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 327 en 328 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, door de Staat worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
Indien de belastingplichtige meent dat bovengenoemde bevoegdheden niet gerespecteerd zijn, kan hij :
- inzake directe belastingen hetzij zijn opmerkingen doen gelden bij ontvangst van het bericht van wijziging van de aangifte of bij ontvangst van het bericht van aanslag van ambtswege op de wijze voorgeschreven bij artikel 346 of 351, WIB 92, hetzij tegen de aanslag in administratief beroep gaan overeenkomstig artikel 366, WIB 92, en bij niet akkoord met voorgaande beslissing of bij niet beslissing vanwege de administratie binnen zes maanden (of negen maanden ingeval van een aanslag van ambtswege) een vordering in rechte instellen bij de bevoegde rechtbank van eerste aanleg (artikel 1385 undecies, Gerechtelijk Wetboek). Daarenboven kan de belastingplichtige bij het indienen van een bezwaarschrift ook een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (artikel 376 quinquies, WIB 92);
- inzake btw gebruikmaken van het administratief verhaal voorzien in artikel 84 van het btw-wetboek en deze moeilijkheid inzake de heffing van de btw onderwerpen aan de beslissing van de minister van Financiën of aan zijn afgevaardigde en/of een vordering in rechte instellen bij de bevoegde rechtbank van eerste aanleg (artikel 1385 undecies, Gerechtelijk Wetboek). Daarenboven kan de belastingplichtige ook inzake btw, en dit overeenkomstig artikel 84 quater van het btw-wetboek, een aanvraag tot bemiddeling indienen bij voornoemde fiscale bemiddelingsdienst.