Parlementaire vraag nr. 885 van de heer Didden van 06.05.1997
Directe en indirecte belastingen. - Plaats van de controle. - Vraag controleurs stukken op hun kantoor te deponeren.
VRAAG
Het ligt niet in mijn bedoeling een bijzonder geval op te lossen, maar een principe dat werd vastgesteld om de burger te beschermen te doen naleven.
Op vraag nr. 504 van 17 juli 1996 van de heer Valkeniers werd geantwoord dat de controles ter plaatse van de zetel van de vennootschap moeten gebeuren, maar dat "indien een aanslagambtenaar vraagt om bepaalde stukken ten kantore voor te leggen is dit in regel enkel ingegeven door de bekommernis om het dossier met een maximum aan informatie binnen een zo kort mogelijke tijdsperiode af te handelen" (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 75, blz. 10128).
Nochtans in uw nota (Parl. st., Kamer, 1992-1993, nr. 1072/8, blz. 93) vermeldt u dat:
A. "de belastingwet luistert naar een strikte interpretatie, in die zin dat een belastbare toestand niet kan worden uitgebreid naar analogie van toestanden die weliswaar gelijkaardig zijn uit een economisch oogpunt, maar waarvoor de wet geen belasting heeft bepaald";
B. "het fiscaal adagium in dubio contra fiscum betekent dat als de wet niet duidelijk is of de bedoeling van de wetgever er niet kan worden uit afgelezen, de wetgevende twijfel de belastingplichtige tot voordeel strekt".
1. Mag de belastingambtenaar de overbrenging van stukken naar de belastingkantoren eisen en op basis van welk artikel van het WIB 1992?
2. Wat gebeurt er indien de belastingplichtige niet overgaat tot de overbrenging van de stukken naar de kantoren van de administratie wegens het ontbreken van een wettekst?
3. Kan de belastingplichtige daarna bijvoorbeeld aangeslagen worden op basis van indiciën met een belastingverhoging (hof van beroep van Antwerpen, 4 juni 1996, Fiscale Koerier, nr. 13)?
4. Kan u statistisch per controlekantoor meedelen hoeveel vragen tot overbrenging van de stukken naar het belastingkantoor geëist werden, en dit gedurende de jongste vijf jaar?
5. Kan u statistisch meedelen waar de belastingplichtigen geen stukken overgebracht hebben naar de belastingkantoren en welke de gevolgen waren voor de belastingplichtige?
ANTWOORD
1, 2, 4 en 5.
I. Wat de inkomstenbelastingen betreft
Artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners verplicht is de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen. Dit houdt in dat de Administratie der directe belastingen niet kan eisen dat de boekhouding of een deel ervan naar het kantoor wordt gebracht. De belastingplichtige kan enkel worden uitgenodigd zijn boeken en bescheiden "met verplaatsing" over te leggen zoals in de gevallen die bedoeld zijn in de parlementaire vraag van de heer Valkeniers waarnaar het geacht lid verwijst.
Het feit dat een belastingplichtige zich beroept op de voornoemde wettelijke bepalingen en de gevraagde boeken en bescheiden niet naar het controlekantoor wenst te brengen, kan geen gevolgen hebben voor de verdere behandeling van het dossier.
De beschikbare statistische gegevens hebben enkel betrekking op het aantal onderzoekingen waarvoor een onderzoek ter plaatse werd verricht of waarvan de afhandeling volledig op het kantoor is geschied. Zij geven geen uitsluitsel over het aantal vragen om voorlegging van stukken ten kantore gericht aan de belastingplichtigen.
II. Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft
Krachtens artikel 61, § 1, van het BTW-wetboek is eenieder gehouden de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen en dit teneinde de juiste heffing van de belasting in hoofde van de belastingplichtige of in hoofde van derden te kunnen nagaan. Met andere woorden, deze boeken en stukken kunnen, in principe, niet door de controlerende ambtenaar worden meegenomen of moeten niet door de belastingplichtige naar het controlekantoor worden gebracht met het oog op de verificatie ervan.
Het kan evenwel voorkomen dat met het oog op een vlotte afhandeling van de controle, de boeken en stukken toch werden meegenomen of gebracht. Dit hetzij met toestemming van de betrokken belastingplichtige op vraag van de controlerende ambtenaar, hetzij op vraag van de eerstgenoemde.
Inderdaad, niets verzet zich tegen deze werkwijze, maar deze oplossing mag uiteraard niet aan de belastingplichtige worden opgelegd (zie vraag nr. 48 van de heer Kempinaire van 9 december 1975, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1975-1976, nr. 9, blz. 584).
Deze situatie verschilt echter fundamenteel van deze beoogd in artikel 61, 52, van het BTW-wetboek. Inderdaad, deze bepaling machtigt de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden en dit telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken en kopies de verschuldigheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
De praktijk laat tevens blijken dat betwistingen, nopens de rechtsgeldigheid van de gevolgde wijze van handelen, kunnen ontstaan en dit omwille van de juiste omstandigheden waaronder de boeken en stukken naar het controlekantoor worden meegenomen of gebracht.
Daarom en teneinde alle moeilijkheden te vermijden en, inzonderheid, de in te stellen vorderingen tegen mogelijke procedurefouten te vrijwaren, schrijven de administratieve richtlijnen voor dat ter plaatse, onverwijld, een proces-verbaal moet worden opgesteld en dit telkens boeken en/of stukken worden meegenomen of gebracht naar het controlekantoor of nog wanneer deze worden ingehouden. In het proces-verbaal moeten, naast de inventaris van de kwestieuze boeken en/of stukken, op een precieze wijze de redenen en de omstandigheden, die tot de genomen beslissing hebben geleid, worden weergegeven. Wanneer een en ander gebeurde op verzoek van of met de toestemming van de belastingplichtige, moet daarvan uitdrukkelijk melding worden gemaakt in het proces-verbaal.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit proces-verbaal moet onmiddellijk worden overhandigd aan de belastingplichtige, die wordt verzocht het origineel voor ontvangst te ondertekenen. In geval hij dit weigert wordt dit hem binnen de 24 uur, bij aangetekend schrijven, toegestuurd.
Ten slotte wordt de aandacht gevestigd op het feit dat geen enkele statistiek wordt bijgehouden van deze administratieve werkwijze.
3. De taxatie volgens tekenen en indiciën is een van de bewijsmiddelen waarover de Administratie der directe belastingen beschikt om de belastbare inkomsten te bepalen. Het gebruik ervan is niet ondergeschikt aan het feit of de boeken en bescheiden al dan niet ter plaatse of ten kantore werden voorgelegd.
Indien een aanslag wordt gevestigd met toepassing van het voornoemde bewijsmiddel, kan de administratie in beginsel een belastingverhoging berekenen op de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. De feitelijke omstandigheden van het geval dienen uit te wijzen of er sprake is van niet aangegeven inkomsten.
VRAAG
Het ligt niet in mijn bedoeling een bijzonder geval op te lossen, maar een principe dat werd vastgesteld om de burger te beschermen te doen naleven.
Op vraag nr. 504 van 17 juli 1996 van de heer Valkeniers werd geantwoord dat de controles ter plaatse van de zetel van de vennootschap moeten gebeuren, maar dat "indien een aanslagambtenaar vraagt om bepaalde stukken ten kantore voor te leggen is dit in regel enkel ingegeven door de bekommernis om het dossier met een maximum aan informatie binnen een zo kort mogelijke tijdsperiode af te handelen" (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 75, blz. 10128).
Nochtans in uw nota (Parl. st., Kamer, 1992-1993, nr. 1072/8, blz. 93) vermeldt u dat:
A. "de belastingwet luistert naar een strikte interpretatie, in die zin dat een belastbare toestand niet kan worden uitgebreid naar analogie van toestanden die weliswaar gelijkaardig zijn uit een economisch oogpunt, maar waarvoor de wet geen belasting heeft bepaald";
B. "het fiscaal adagium in dubio contra fiscum betekent dat als de wet niet duidelijk is of de bedoeling van de wetgever er niet kan worden uit afgelezen, de wetgevende twijfel de belastingplichtige tot voordeel strekt".
1. Mag de belastingambtenaar de overbrenging van stukken naar de belastingkantoren eisen en op basis van welk artikel van het WIB 1992?
2. Wat gebeurt er indien de belastingplichtige niet overgaat tot de overbrenging van de stukken naar de kantoren van de administratie wegens het ontbreken van een wettekst?
3. Kan de belastingplichtige daarna bijvoorbeeld aangeslagen worden op basis van indiciën met een belastingverhoging (hof van beroep van Antwerpen, 4 juni 1996, Fiscale Koerier, nr. 13)?
4. Kan u statistisch per controlekantoor meedelen hoeveel vragen tot overbrenging van de stukken naar het belastingkantoor geëist werden, en dit gedurende de jongste vijf jaar?
5. Kan u statistisch meedelen waar de belastingplichtigen geen stukken overgebracht hebben naar de belastingkantoren en welke de gevolgen waren voor de belastingplichtige?
ANTWOORD
1, 2, 4 en 5.
I. Wat de inkomstenbelastingen betreft
Artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners verplicht is de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen. Dit houdt in dat de Administratie der directe belastingen niet kan eisen dat de boekhouding of een deel ervan naar het kantoor wordt gebracht. De belastingplichtige kan enkel worden uitgenodigd zijn boeken en bescheiden "met verplaatsing" over te leggen zoals in de gevallen die bedoeld zijn in de parlementaire vraag van de heer Valkeniers waarnaar het geacht lid verwijst.
Het feit dat een belastingplichtige zich beroept op de voornoemde wettelijke bepalingen en de gevraagde boeken en bescheiden niet naar het controlekantoor wenst te brengen, kan geen gevolgen hebben voor de verdere behandeling van het dossier.
De beschikbare statistische gegevens hebben enkel betrekking op het aantal onderzoekingen waarvoor een onderzoek ter plaatse werd verricht of waarvan de afhandeling volledig op het kantoor is geschied. Zij geven geen uitsluitsel over het aantal vragen om voorlegging van stukken ten kantore gericht aan de belastingplichtigen.
II. Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft
Krachtens artikel 61, § 1, van het BTW-wetboek is eenieder gehouden de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen en dit teneinde de juiste heffing van de belasting in hoofde van de belastingplichtige of in hoofde van derden te kunnen nagaan. Met andere woorden, deze boeken en stukken kunnen, in principe, niet door de controlerende ambtenaar worden meegenomen of moeten niet door de belastingplichtige naar het controlekantoor worden gebracht met het oog op de verificatie ervan.
Het kan evenwel voorkomen dat met het oog op een vlotte afhandeling van de controle, de boeken en stukken toch werden meegenomen of gebracht. Dit hetzij met toestemming van de betrokken belastingplichtige op vraag van de controlerende ambtenaar, hetzij op vraag van de eerstgenoemde.
Inderdaad, niets verzet zich tegen deze werkwijze, maar deze oplossing mag uiteraard niet aan de belastingplichtige worden opgelegd (zie vraag nr. 48 van de heer Kempinaire van 9 december 1975, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1975-1976, nr. 9, blz. 584).
Deze situatie verschilt echter fundamenteel van deze beoogd in artikel 61, 52, van het BTW-wetboek. Inderdaad, deze bepaling machtigt de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden en dit telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken en kopies de verschuldigheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
De praktijk laat tevens blijken dat betwistingen, nopens de rechtsgeldigheid van de gevolgde wijze van handelen, kunnen ontstaan en dit omwille van de juiste omstandigheden waaronder de boeken en stukken naar het controlekantoor worden meegenomen of gebracht.
Daarom en teneinde alle moeilijkheden te vermijden en, inzonderheid, de in te stellen vorderingen tegen mogelijke procedurefouten te vrijwaren, schrijven de administratieve richtlijnen voor dat ter plaatse, onverwijld, een proces-verbaal moet worden opgesteld en dit telkens boeken en/of stukken worden meegenomen of gebracht naar het controlekantoor of nog wanneer deze worden ingehouden. In het proces-verbaal moeten, naast de inventaris van de kwestieuze boeken en/of stukken, op een precieze wijze de redenen en de omstandigheden, die tot de genomen beslissing hebben geleid, worden weergegeven. Wanneer een en ander gebeurde op verzoek van of met de toestemming van de belastingplichtige, moet daarvan uitdrukkelijk melding worden gemaakt in het proces-verbaal.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit proces-verbaal moet onmiddellijk worden overhandigd aan de belastingplichtige, die wordt verzocht het origineel voor ontvangst te ondertekenen. In geval hij dit weigert wordt dit hem binnen de 24 uur, bij aangetekend schrijven, toegestuurd.
Ten slotte wordt de aandacht gevestigd op het feit dat geen enkele statistiek wordt bijgehouden van deze administratieve werkwijze.
3. De taxatie volgens tekenen en indiciën is een van de bewijsmiddelen waarover de Administratie der directe belastingen beschikt om de belastbare inkomsten te bepalen. Het gebruik ervan is niet ondergeschikt aan het feit of de boeken en bescheiden al dan niet ter plaatse of ten kantore werden voorgelegd.
Indien een aanslag wordt gevestigd met toepassing van het voornoemde bewijsmiddel, kan de administratie in beginsel een belastingverhoging berekenen op de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. De feitelijke omstandigheden van het geval dienen uit te wijzen of er sprake is van niet aangegeven inkomsten.
Bron: FisconetPlus
