Parlementaire vraag nr. 522 van de heer Henneuse van 21.10.1993
VRAAG 93/522/2
Bull. nr. 736, pag. 684
Aanslag in de personenbelasting - Berekening van de personenbelasting - Ontbinding van het huwelijk
Bij het nalezen van de berekening van de inkomstenbelastingen van een persoon wiens echtgenoot op 16 december is overleden, mij opgevallen dat de huidige praktijk om rekening te houden met de gezinssituatie op 1 januari voor de berekening van de belastingen van het afgelopen jaar een onaanvaardbare scheeftrekking teweegbrengt.
Zo bleek dat de betrokkene, indien de echtgenoot pas op 2 januari zou zijn overleden, slechts 10 415 frank had moeten betalen in plaats van 78 380 frank die nu van haar werden gevorderd.
Inzake onroerende inkomsten die onderworpen zijn aan de per- sonenbelasting, is er een wettelijke bepaling krachtens welke van de inkomsten verworven uit een onroerend goed dat werd aangekocht of verkocht in de loop van het jaar, aangifte moet worden gedaan in verhouding tot de werkelijke duur van de periode van eigendom.
Een dergelijke maatregel lijkt mij billijk. Kan men geen soortgelijke wijziging doorvoeren in het wetboek zodat rekening wordt gehouden met de werkelijke gezinssituatie vanaf de datum van overlijden ?
ANTWOORD
De afzonderlijke aanslag van elke echtgenoot voor het jaar van overlijden vloeit niet voort uit het in aanmerking nemen van de gezinstoestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, maar wel uit de loutere toepassing van artikel 128, eerste lid, 3þ, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, dat stelt dat voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed, gehuwde personen voor de berekening van de belasting niet als echtgenoten maar als alleenstaanden worden aangemerkt.
Logischerwijze kan de afzonderlijke aanslag van echtgenoten voor het beoogde jaar niet samengaan met maatregelen die bedoeld zijn om de fiscale gevolgen van de samenvoeging van de inkomsten te verzachten.
Het is nochtans waar dat de afzonderlijke aanslag van de inkomsten van de echtgenoten (voornamelijk in geval van overlijden van één van hen op het einde van het jaar) soms minder gunstig uitvalt dan het gewone stelsel.
Het is trouwens juist om die reden dat ter zake reeds diverse wijzigingen zijn doorgevoerd.
Bij de laatste aanpassing (art. 6, § 2, eerste lid, 4þ, van de hervormingswet van 1988) is de toeslag op de belastingvrije som op 95 000 frank gebracht, derwijze dat de in het beoogde geval verleende belastingvrije som (165 000 frank + 95 000 frank = 260 000 frank) precies overeenstemt met die welke aan gehuwde personen wordt toegekend (130 000 frank x 2 = 260 000 frank). Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.
Het feit dat de daaruit voortvloeiende belastingvermindering het fiscaal voordeel dat door het huwelijksquotiënt wordt verleend, niet ten volle compenseert, is inherent aan het berekeningsstelsel zoals het door de werkgever is ontworpen.
Een nieuwe wetswijziging ter zake kan overigens niet verantwoord worden door ongewenste gevolgen die zich slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen.
Bron: FisconetPlus
