Parlementaire vraag nr. 110 van de heer Steven Matheï van 25.11.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/032 d.d. 21.12.2020, blz. 338

De verhuur van lokalen door vzw's.

VRAAG (van de heer Matheï)

Wanneer een vzw onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting moeten onder andere bepaalde roerende en onroerende inkomsten aangegeven worden.

Inkomsten uit onroerende goederen die in België zijn gelegen dienen aangegeven te worden tenzij het gaat over inkomsten uit privéverhuur, pacht voor tuin- en landbouw, en verhuur aan huurders zonder winstoogmerk. Inkomsten uit onroerende goederen die in het buitenland zijn gelegen dienen aangegeven te worden tenzij een dubbelbelastingverdrag bepaalt dat dat de heffing van toepassing is in het land waarin het onroerend goed zicht bevindt.

Bepaalde inkomsten uit roerende goederen worden belast door toepassing van de roerende voorheffing maar dienen wel aangegeven te worden in de rechtspersonenbelasting.

Voor vzw's is het bij de verhuur van lokalen niet altijd duidelijk hoeveel % men moet toekennen aan de verhuur van het gebouw (onroerend) en hoeveel % aan de verhuur van het meubilair (roerend). Naar verluidt zou de FOD Financiën zich bij controles baseren op de verhouding die vermeld staat in het huurcontract en zou deze verhouding berekend moeten worden op basis van de investeringswaarde van zowel het gebouw als het meubilair.

Wanneer men geen reële verhouding vermeldt in het huurcontract, zou de fiscus automatisch de verhouding 60- 40 toepassen.

1. Kan u verduidelijken hoe een vzw bij de verhuur van lokalen de verhouding onroerend - roerend moet bereken voor de aangifte in de rechtspersonenbelasting?

2. Kan u bevestigen dat de administratie automatisch de verhouding 60-40 hanteert, wanneer er geen reële verhouding vermeld staat in het huurcontract?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Wanneer een onroerend goed (of een gedeelte daarvan) gemeubileerd wordt verhuurd en ingeval een gezamenlijke huurprijs voor de roerende en onroerende goederen is bedongen, wordt het brutobedrag van de belastbare inkomsten van de roerende goederen geacht 2/5 (40 %) van die huurprijs te bedragen (zie artikel 4, 2°, b), van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92). De huurprijs van het onroerend goed wordt dus geacht 3/5 (60 %) van de totale huurprijs te bedragen (zie ook nr. 7/19.2 van de administratieve commentaar op het WIB 92).

Indien er een afzonderlijke huurprijs voor het onroerend goed en het meubilair wordt bedongen in de huurovereenkomst, dan moet de administratie daar in principe rekening mee houden.

De betrokken vzw is, als verkrijger van inkomsten uit de verhuring van roerende goederen die voortkomen uit de verhuring van stofferende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of appartementen, de schuldenaar van de roerende voorheffing (RV) in toepassing van artikel 262, § 2, 2°, WIB 92.

Ze zal de aangifte in de RV moeten indienen en de storting van die voorheffing binnen de 15 dagen na de toekenning of betaalbaarstelling van die inkomsten moeten verrichten. Inkomsten waarop de RV door de verkrijger is verschuldigd worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin zij door de verkrijger zijn verkregen, zijnde 31 december (zie artikel 267, zesde lid, WIB 92, en nr. 261/35 van de administratieve commentaar op het WIB 92).

De voormelde roerende inkomsten en de andere gevraagde gegevens moeten in de rubriek 'Inkomsten van verhuring van stofferende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of appartementen' van de aangifte in de rechtspersonenbelasting (RPB) worden vermeld. De aangifte van die inkomsten in de RPB dient dus als een controlemiddel.

Ten slotte zal het gedeelte van de huurprijs dat betrekking heeft op de verhuring van onroerende goederen volgens de gewone regels belast worden en, in voorkomend geval, in de rubriek 'Onroerende inkomsten' van de aangifte in de RPB moeten worden aangegeven (zie artikel 225, WIB 92).