Parlementaire vraag nr. 1873 van de heer Dieter Vanbesien van 23.01.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2023-2024, QRVA 55/131 d.d. 20.03.2024, blz. 198
Toestemming, medewerking en dwang bij fiscaal onderzoek
VRAAG (van de heer Vanbesien)
Eerder stelde ik u een mondelinge vraag over het arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 over het begrip toestemming bij fiscale controles (vraag nr. 39141C, Integraal Verslag, Kamer, 2022-2023, CRIV 55 COM 1188). U ging er toen mee akkoord dat een evenwicht tussen de rechten van de belastingplichtige en diens medewerkingsverplichting cruciaal is. In tussentijd is er op 6 oktober 2023 een bijkomend arrest van het Hof van Cassatie geveld dat zich uitspreekt over bedrijfsvisitaties. U gaf in uw antwoord verder mee dat belastingplichtigen dienen mee te werken aan een controle op straffe van geldboetes en dwangsommen. De boete die de administratie kan opleggen is in veel gevallen beperkt tot 1.250 euro (artikel 455, § 1 WIB92). Dat lijkt een zeer klein bedrag relatief aan het onrechtmatige voordeel dat mensen door niet-medewerking aan een fiscaal onderzoek kunnen behouden. Een dwangsom kan slechts opgelegd worden na een rechterlijke veroordeling die uitvoerbaar is en betekend werd. Door de opschortende werking van gerechtelijke procedures lijkt de dwang die van deze beperkte dwangsom uitgaat zeer matig. 1. Is de analyse van de administratie over het arrest van 16 juni 2023 afgerond? Zo niet, tegen wanneer kunnen wij deze verwachten? Indien wel, hoe luidt de analyse en welke stappen zult u nu ondernemen? 2. Heeft de administratie ook de impact van het bijkomende arrest van 6 oktober 2023 geanalyseerd? 3. Overweegt u om de administratieve boetes en het bedrag van de dwangsom die de fiscus kan opleggen naar aanleiding van niet-medewerking op te trekken? 4. In welke mate blijkt de "procedure zoals in kortgeding" die in sommige gevallen geldt voor de fiscale rechter (zoals bij de vestiging van een dwangsom), effectief tot kortere procedures aanleiding te geven? 5. Bent u het er mee eens dat de administratie, zoals het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 12 oktober 2017 reeds suggereerde, over de mogelijkheid moet beschikken om zich toegang te verschaffen tot de beroepslokalen, zonder dat hiertoe de instemming van de belastingplichtige nodig is of denkt u dat een andere remediëring mogelijk is? 6. Is het volgens u mogelijk de fiscale wetboeken te remediëren door de administratie te laten bijstaan door de politiemacht puur opdat deze de vrije toegang, waar ze volgens artikel 63 Wetboek Btw en 319 WIB 92 recht op heeft, kan garanderen, zodat de administratie hiertoe zelf geen dwang moet uitoefenen, en dit voor elke onaangekondigde controle, ook indien er geen sprake is van aanwijzingen van fraude? 7. Bent u van oordeel dat zich hiertoe een wetswijziging opdringt of volstaat het hiervoor te verwijzen naar het koninklijk besluit van 10 februari 2015 (gepubliceerd op 22 januari 2018) inzake het aanstellingsbewijs dat bepaalt dat: "De gestelde overheden zullen de titularis van dit aanstellingsbewijs in de hoedanigheid van Rijksambtenaar of hiermee gelijkgesteld erkennen; ze worden verzocht hem - haar hulp en bescherming te verlenen in de uitoefening van zijn - haar ambt". Is het volgens u - met andere woorden - mogelijk dat een ambtenaar op basis van deze tekst op zijn - haar aanstellingsbewijs de hulp van de politiemacht inroept om de vrije toegang tijdens een fiscale controle af te dwingen?
ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)
1. Mijn administratie heeft het arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 waarnaar u verwijst geanalyseerd. Artikel 63, § § 1 en 3, van het Btw-Wetboek (WBTW) verplicht eenieder die een economische activiteit uitoefent, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang te verlenen tot de ruimten waar hij zijn activiteit uitoefent, alsook tot alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen waar handelingen bedoeld in het WBTW worden verricht of vermoedelijk worden verricht. Evenwel is de toegang tot particuliere woningen en bewoonde lokalen onderworpen aan de machtiging van de politierechter. Er dient te worden opgemerkt dat het aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie enkel betrekking heeft op het recht om bewoonde gebouwen en lokalen te betreden en geen uitspraak doet over het recht van onderzoek nadat de toegang is verkregen. Het Hof oordeelde dat, niettegenstaande de machtiging van de politierechter, de intrekking van de toestemming van de belastingplichtige om de lokalen te betreden de voortzetting van de uitoefening van het recht verhinderde. Het Hof van Cassatie herhaalt met andere woorden enkel wat het Grondwettelijk Hof heeft gezegd in zijn arrest nummer 116/2017 van 12 oktober 2017, namelijk dat, hoewel artikel 63 WBTW de belastingplichtige verplicht om vrije toegang te verlenen tot voornoemde lokalen en om mee te werken aan de fiscale controle, het de bevoegde ambtenaren echter niet toestaat om met dwang toegang tot de lokalen te verkrijgen wanneer deze verplichte medewerking wordt geweigerd. 2. Het arrest van het Hof van Cassatie van 6 oktober 2023 geeft geen aanleiding tot bijzondere commentaar, aangezien het gunstig is voor de administratie. Het Hof bevestigt dat artikel 63, § 1, 1°, WBTW de bevoegde ambtenaren het recht geeft om boeken en documenten te onderzoeken in kasten en schuiven, vuilnisbakken of koelkasten die zich bevinden in de bedrijfsruimten van de belastingplichtige, zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige, en dat het enkel is indien de belastingplichtige zich daartegen verzet, dat de boeken en documenten niet mogen worden geraadpleegd. In dit laatste geval mogen de bevoegde ambtenaren, overeenkomstig het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof nummer 116/2017, geen dwang uitoefenen. 3. De fiscale visitatie voorzien door artikel 319 Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (WIB92) en artikel 63 WBTW is een belangrijk middel voor de administratie om de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot de juistheid van de aangifte en om de correcte heffing van de belasting te verzekeren. Het is niet aanvaardbaar dat de belastingadministratie voor de uitvoering van een controle afhankelijk zou zijn van de keuze van de belastingplichtige om al dan niet zijn verplichting tot medewerking na te komen. Bij een weigering tot medewerking aan de fiscale visitatie kan een administratieve geldboete (in toepassing van artikel 445 WIB92 - artikel 70, § 4 WBTW) worden opgelegd. Er werd verkozen om deze legislatuur een zeer specifieke wettelijke bepaling in te voeren, met name een dwangsom voor belastingplichtigen die zich niet aan de medewerkingsplicht houden. Voor wat betreft het bedrag van de dwangsommen, deze wordt vastgesteld door de magistraat in functie van wat de eisende partij vordert en van de omstandigheden eigen aan elke specifieke zaak. Aangezien het bedrag dus niet wordt vastgesteld door een wettelijke bepaling, kan er ook geen sprake zijn van het optrekken van het bedrag. In de huidige stand van zaken is het voorbarig om zich uit te spreken over de doeltreffendheid van de verkregen dwangsommen. 4. De administratie beschikt nog niet over rechtspraak betreffende de toepassing van artikel 381 WIB 92 en kan dus geen evaluatie maken van de impact van deze procedure op het vlak van de termijnen. 5. Zoals al vermeld, is het niet aanvaardbaar dat de fiscale administratie voor het uitvoeren van een fiscale visitatie, zijnde een recht door de wetgever aan de administratie toegekend, afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om zijn verplichtingen al dan niet na te komen. Wanneer de fiscale ambtenaren de toegang wordt geweigerd en er hierbij sprake is van bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden, zijn niet alleen administratieve sancties mogelijk, maar ook strafrechtelijke, in toepassing van artikel 449 WIB92/artikel 73 WBTW. In dit geval kunnen de ambtenaren van de betrokken belastingadministratie, onder de voorwaarden door de wet bepaald, de betreffende feiten ter kennis brengen van de procureur des Konings. In dit kader zou moeten overwogen worden het aantal fiscale ambtenaren die bekleed kunnen worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings te verhogen. 6. Artikel 44 van de wet op het politieambt maakt het voor de fiscale ambtenaren mogelijk beroep te doen op bijstand door de politiediensten. Deze bijstand kan er evenwel enkel in bestaan de ambtenaren te beschermen tegen gewelddaden of feitelijkheden die tegen hen kunnen worden gepleegd. Noch dit artikel noch de fiscale wetgeving laten toe het toegangsrecht van de ambtenaren met het oog op een fiscale visitatie manu militari af te dwingen. Wanneer het dossier zoals hoger vermeld wordt overgedragen aan het parket, zijn ruimere onderzoeksmogelijkheden inzetbaar en is een gerechtelijke huiszoeking niet uitgesloten. 7. Zoals hoger vermeld laat de actuele wetgeving niet toe dat het toegangsrecht die de artikelen 319 WIB92 en 63 WBTW verlenen aan de fiscale ambtenaren met het oog op een visitatie manu militari wordt afgedwongen, ook niet via tussenkomst van de politiediensten.
