Parlementaire vraag nr. 554 van de heer Leterme van 10.01.2001

VRAAG 01/554
Bull. nr. 826, pag. 1469-1474
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 80, blz. 9064-9066
Belastingkrediet landbouwers
VRAAG
Krachtens artikel 289bis van het WIB 1992 kan in de personenbelasting een belastingkrediet verrekend worden van 10 % met een maximum van 150.000 frank van het positieve verschil tussen de op het einde van het belastbare tijdperk bestaande fiscale waarde van de vaste activa verminderd met het bedrag van de met de beroepswerkzaamheid verband houdende schulden op het einde van dat tijdperk en het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dezelfde berekening.
Omtrent de praktische toepassing van deze wetgeving werd er door de administratie geen circulaire verspreid zodat er nogal wat discussiepunten tussen de administratie en de belastingplichtigen rijzen.
Kan u de toepassing in navolgende gevallen verduidelijken ?
1. Kan een landbouwer die opteert voor de forfaitaire taxatie binnen het landbouwforfait genieten van belastingkrediet voor de gedane investeringen in bijvoorbeeld gebouwen of materieel? Niets belet immers dat de belastingplichtige een tabel van investeringen en afschrijvingen zou bijhouden ook al zijn deze afschrijvingen automatisch verondersteld verrekend in de aan te geven brutowinst.
2. Zelfde situatie als onder vraag nr. 1, doch met dien verstande dat de landbouwer ook onderworpen is aan de speciale forfaitstructuren zoals groentekweker, pluimveehouder, tabak, enz. waarin wel afschrijvingen toegestaan worden.
Wat is hier uw antwoord?
3. Wordt de aankoop van landbouwgronden door een landbouwer, die opteert voor de forfaitaire taxatie binnen het landbouwforfait, beschouwd als activa, die in aanmerking komen voor de berekening van dit belastingkrediet?
4. Zo niet, komen deze landbouwgronden wel in aanmerking bij een landbouwer, die niet opteert voor het forfait, maar een vereenvoudigde boekhouding houdt?
Is uw antwoord verschillend indien de investering al of niet in de afschrijvingstabel opgenomen wordt?
5.
a) Dienen de schulden, die aangegaan zijn voor de aankoop van deze landbouwgronden, opgenomen te worden in de berekening?
b) Het kan toch niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn om schulden, aangegaan voor de aankoop van beroepsactiva, in aanmerking te nemen, terwijl de activa zelf buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten?
c) Als dit zo zou zijn, gaat de toepassing van de wet dan het doel ervan niet voorbij, namelijk de zelffinanciering van investeringen aanmoedigen?

6. Kunt u precies meedelen welke schulden in de berekening opgenomen dienen te worden: handelsschulden, kaskredieten, kortlopende bankvoorschotten (seizoenkredieten of straight-loans die minder dan 1 jaar lopen) enz.?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te vinden op de onderscheiden punten van zijn vraag.
1 en 2.
Landbouwers die overeenkomstig artikel 342, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) volgens forfaitaire grondslagen van aanslag worden belast, kunnen in beginsel aanspraak maken op de verrekening van het belastingkrediet waarvan sprake in artikel 289bis, § 1, WIB 1992.
Daartoe moeten zij bij hun aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar waarvoor zij de verrekening vragen, een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave 276 J voegen, evenals een attest (van de sociale verzekeringskas) waarin bevestigd wordt dat zij in orde zijn met de betaling van hun socialezekerheidsbijdragen als zelfstandige.
In die opgave 276 J moeten zij onder meer alle vaste activa vermelden die zij voor hun beroepswerkzaamheid gebruiken, evenals de fiscaal aangenomen afschrijvingen en de fiscale waarde van die activa op het einde van het belastbare tijdperk waarvoor de verreke ning wordt gevraagd en op het einde van elk van die drie voorafgaande belastbare tijdperken. Voor diezelfde tijdperken moeten zij eveneens een gedetailleerde opgave verstrekken van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die verband houden met hun landbouwbedrijf.
Aangezien de landbouwers die volgens forfaitaire grondslagen van aanslag belast worden in de regel geen afschrijvingen toepassen, daar deze doorgaans reeds in de forfaitaire grondslagen verrekend zijn, moeten zij, met het oog op de toepassing van het belastingskrediet, alsnog de op de desbetreffende activa toepasselijke afschrijvingen berekenen, ten einde de fiscale waarde van deze activa te kunnen bepalen op het einde van elk van de in het vorige lid beoogde belastbare tijdperken. Bij de evaluatie van die afschrijvingen moet rekening worden gehouden met de gegevens en bijzonderheden eigen aan elk geval en inzonderheid met de aanschaffingswaarde van de desbetreffende activa en het afschrijvingspercentage dat er in het algemeen wordt op toegepast. Die evaluatie moet zoveel mogelijk in gemeen overleg met de bevoegde ambtenaar worden uitgevoerd.
3 en 4.
Belastingplichtigen die geen boekhouding voeren of die een vereenvoudigde boekhouding voeren zonder activa- en passivarekeningen, kunnen, voor de berekening van het beoogde belastingkrediet, enkel die vaste activa in aanmerking nemen waarvoor fiscaal afschrijvingen of waardeverminderingen zijn aangenomen.
Aangezien gronden niet voor afschrijving in aanmerking komen, vallen zij in de regel buiten het toepassingsveld van het belastingkrediet. Deze regel geldt niet alleen voor landbouwers, maar voor alle belastingplichtigen die winsten of baten verkrijgen.
5 en 6.
Met ingang van het aanslagjaar 2000 moet, voor de berekening van het belastingkrediet, rekening worden gehouden met het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen (cf. artikel 28 van de wet van 4 mei 1999 houdende diverse fiscale bepalingen).
Het is dus inderdaad niet uitgesloten dat, voor de berekening van het belastingkrediet, een schuld betreffende een bepaald activum in aanmerking wordt genomen terwijl het activum zelf niet in aanmerking wordt genomen, of nog, dat een activum in aanmerking wordt genomen terwijl de erop betrekking hebbende schuld (bijvoorbeeld met een oorspronkelijke looptijd van één jaar) niet in aanmerking wordt genomen.