Parlementaire vraag nr. 28226 van de heer Luk Van Biesen van 13.02.2019

Kamer, Integraal Verslag – Commissie voor de Financiën, 2018-2019 CRIV 54 COM 1034 d.d. 13.02.2019, blz. 31

Het artikel 231 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB)

VRAAG (van de heer Van Biesen)

Het komt voor dat een intra-Europese vennootschap, zoals gedefinieerd in artikel 2, §1, 5°, b)bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen overgaat tot het filialiseren van haar bestaande Belgische vaste inrichting door middel van een inbreng van de algemeenheid van de activa en passiva van de inrichting in een binnenlandse vennootschap. Deze inbreng kan in hoofde van de bestaande Belgische vaste inrichting vrijgesteld worden in de belasting der niet-inwoners, op basis van artikel 231, §2 of op basis van artikel 231, §3. Ervan uitgaande dat de voorwaarden voor toepassing van respectievelijk artikel 231, §2 en artikel 231, §3 vervuld zijn, kan de belastingplichtige dan vrij kiezen welk artikel hij inroept? Zo ja, dient hij deze keuze dan bekend te maken en, in bevestigend geval, op welke manier moet de belastingplichtige dat doen?

ANTWOORD (van de minister)

Mijnheer de voorzitter, de §§2 en 3 van artikel 231 van het WIB 1992 kunnen in sommige gevallen op eenzelfde verrichting toegepast worden, met name in het specifieke geval van de filialisering van een Belgische vaste inrichting van een intra-Europese vennootschap.

Zo viseert §2 specifiek driehoeksverrichtingen, die in het kader van fusierichtlijnen worden uitgevoerd. Door de algemenere verwoording van deze paragraaf zou in het zeer specifieke geval waarnaar wordt verwezen in de vraag, een mogelijkheid bestaan om deze paragraaf toe te passen op deze verrichting.

Nochtans bestond er voor de invoering van deze algemenere bepaling in §2 reeds een specifieke bepaling voor de filialisering van een Belgische inrichting in §3. Hierdoor moet bijgevolg bij onderhavige verrichting de paragraaf toegepast worden die specifiek werd ingevoerd hiervoor, namelijk §3, voor zover aan de voorwaarden is voldaan, doordat de vergoeding in aandelen heeft plaatsgevonden.

De ruimere §2 kan dan alleen toegepast worden wanneer niet voldaan werd aan de voorwaarden van §3, namelijk wanneer bij een dergelijke verrichting een opleg in cash plaatsvindt, zodat overeenkomstig §2 kan bepaald worden in welke mate en op welke wijze deze eigenvermogensbestanddelen worden overgenomen.