Parlementaire vraag nr. 298 van de heer Daras van 22.08.1997

VRAAG 97/298
Bull. nr. 782, pag. 992
Vr. en Antw., Senaat, 1997-1998, nr. 1-61, blz. 3132-2133
Goodwill. - Cliënteel. - Afschrijving.
VRAAG
Over de afschrijving van een cliëntèle die ingebracht wordt in een vennootschap werden talrijke parlementaire vragen gesteld die worden vermeld in het antwoord op vraag nr. 137 dd. 25 november 1996 van de heer Delcroix (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1996-1997, nr. 1-34, blz. 1694). Over deze materie zijn er veel betwistingen tussen de administratie en de belastingplichtigen.
Aan de oorsprong hiervan ligt het standpunt van de administratie, dat door de minister wordt vertolkt in punt 3 van het antwoord op vraag nr. 199, dd. 9 september 1992 van volksvertegenwoordiger de Clippele (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1992-1993, nr. 39, blz. 2927): "Zoals gezegd zijn de afschrijvingen in principe slechts als beroepskosten aftrekbaar indien ze samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan. Aangezien het matematisch bewijs van die waardevermindering in de praktijk evenwel moeilijk of zelfs onmogelijk kan worden geleverd, mag de jaarlijkse afschrijving, in overleg met de administratie, op forfaitaire wijze worden bepaald. Indien ter zake geen akkoord wordt bereikt, bepaalt de administratie die afschrijvingen op een redelijke wijze. Wat de cliëntèle betreft is de administratie van mening dat een afschrijving over een termijn van tien tot twaalf jaar als redelijk mag worden beschouwd."
Er bestaat wat dit betreft dus een grote tegenspraak tussen het boekhoudrecht en het fiscaal recht en die duur van tien tot twaalf jaar steunt op geen enkele juridische grondslag. Het fiscaal recht moet het boekhoudrecht volgen, behalve als het daar uitdrukkelijk van afwijkt. Volgens het boekhoudrecht (artikel 28 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976) moeten dergelijke vaste activa in hoogstens vijf jaar worden afgeschreven. In het WIB (artikel 63) wordt bepaald dat dergelijke vaste activa in minstens vijf jaar moeten worden afgeschreven. Daaruit kan logisch worden afgeleid dat een duur van vijf jaar niet overdreven is.
Bovendien betreffen de antwoorden op de verschillende parlementaire vragen de afschrijving van een cliëntèle en verwijzen ze niet naar de afschrijving van een "goodwill".
Kan de geachte minister mij zeggen of:
  • hij vindt dat dezelfde termijn van toepassing moet zijn op de afschrijving van "goodwill", gelet op het feit dat "goodwill" als volgt kan worden omschreven: "Goodwill" is veeleer de meerwaarde die een bestaande handelszaak of onderneming vertoont boven de som van de haar samenstellende delen doordat deze samengebracht en aangewend zijn om een onderneming te voeren en cliëntèle aan te trekken of te behouden". (verslag Verhaegen over de wet van 5 december 1984 tot aanpassing van het vennootschapsrecht aan de 2e en 4e EEG-richtlijnen);
  • die termijn van tien tot twaalf jaar hem nog altijd verantwoord lijkt, aangezien een hoge ambtenaar van zijn administratie - eind 1996 tijdens een conferentie op het Instituut voor Bedrijfsrevisoren - openlijk toegeeft dat de administratie een termijn van vijf jaar moet hanteren?
ANTWOORD
Vooreerst wil ik er de aandacht van het geachte lid op vestigen dat de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen bepaalt dat voor de toepassing van dat besluit onder goodwill dient te worden verstaan de prijs betaald voor de verwerving van een onderneming of van een bedrijfsafdeling voor zover die hoger is dan de netto-waarde van de actief-minus passiefbestanddelen ervan.
Rekening houdend met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de immateriële vaste activa in het algemeen beoogt en met het feit dat "goodwill" en "cliënteel", met hun verschillende bewoordingen, eenzelfde economische realiteit inhouden, kan op het fiscale vlak niet worden gerechtvaardigd dat, omwille van de terminologie, terzake een verschillend afschrijvingsstelsel zou worden toegepast.
Wat het toe te passen afschrijvingspercentage betreft meen ik er best aan te doen het geachte lid te verwijzen naar het antwoord op de parlementaire vraag nr. 591 van 18 januari 1994, gesteld door de heer Dalem (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 98 van 8 maart 1994, gewone zitting 1993-1994, blz. 5090). Alhoewel een afschrijving over tien tot twaalf jaar als redelijk mag worden beschouwd, behoort het aan de taxatieambtenaren om contact op te nemen met de betrokken belastingplichtige en op grond van de feitelijke elementen van het geval, in gemeen overleg en op een redelijke wijze het aan te nemen afschrijvingspercentage vast te stellen, met dien verstande dat de belastingplichtige de bijzondere oorzaken van de ontwaarding die hij wenst aan te voeren moet aantonen.