Parlementaire vraag nr. 352 van de heer Van Grembergen van 13.01.1993

VRAAG 93/352

Vraag nr. 352 van de heer Van Grembergen dd. 13.01.1993


Bull. nr. 727, pag. 1331

Onroerende voorheffing - Vermindering voor gehandicapte persoon - Vermindering voor kinderlast

Krachtens artikel 257, eerste lid, 3° van het WIB 92 wordt een vermindering van onroerende voorheffing verleend in verband met het onroerende goed dat wordt betrokken door het hoofd van het gezin met ten minste twee kinderen in leven of met een gehandicapte persoon als bedoeld in artikel 257, eerste lid, 2°.

Volgens de Com. IB 162/63 betekent dat, dat het onroerend goed in kwestie moet worden betrokken door een gezinshoofd met :

  • hetzij twee kinderen in leven;
  • hetzij een gehandicapte persoon te laste;
  • hetzij de gehandicapte echtgenoot van het gezinshoofd.
Volgens sommige centra voor beroepsopleiding en volgens sommige gewestelijke directeurs volstaat het - en dat zou de letterlijke interpretatie van de wettekst zijn - dat een gehandicapte persoon deel uitmaakt van het gezin om die vermindering te genieten. In die hypothese zou het dus niet vereist zijn dat een gezinshoofd een gehandicapte persoon ten laste heeft doch zou het volstaan dat het gezinshoofd zelf gehandicapte is om de vermindering te genieten.



1.Welke interpretatie is correct ?
2. Welke criteria hanteert de administratie trouwens om in het geval van een mannelijke gehandicapte belastingplichtige die gehuwd is, te beslissen dat de man en niet de vrouw het gezinshoofd zou zijn ?

ANTWOORD

Het geacht lid gelieve hierna het antwoord op zijn vragen te willen vinden.

1. Luidens artikel 257, 3°, 1ste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92, oud artikel 162, § 1, 3° WIB) kan een vermindering van onroerende voorheffing worden toegestaan aan een persoon die hoofd is van een gezin, gezin dat hetzij ten minste twee kinderen in leven telt, hetzij een gehandicapte persoon (die tot tenminste 66 % getroffen is door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen).

Bijgevolg, vanaf het moment dat een gezin hetzij ten minste twee kinderen in leven telt, hetzij een gehandicapte persoon, dit wil zeggen om het even welk lid van dit gezin, gezinshoofd, echtgenote, kinderen of aanverwanten die deel uitmaken van het gezin, kan de bedoelde vermindering principieel worden toegekend.

Wanneer één van die twee voorwaarden vervuld is, kunnen de verminderingspercentages opgesomd in lid 2 van artikel 257, 3°, WIB 92 zonder meer worden toegepast. De commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen zal in die zin worden aangepast.

2. Voor de toepassing van artikel 257, WIB 92 wordt de man als gezinshoofd beschouwd volgens de klassieke opvatting van het woord.