Parlementaire vraag nr. 1192 van de heer Desimpel van 19.01.1998

VRAAG 98/1192

Vraag nr. 1192 van de heer Desimpel dd. 19.01.1998


Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 127, blz. 17588-17590

Bull. nr. 785, pag. 1947

Interne pensioenvoorzieningen.

VRAAG

Een onderneming die een pensioenovereenkomst heeft gesloten met een bestuurder of zaakvoerder, kan ofwel een bedrijfsleiders- of groepsverzekering sluiten, waarbij de onderneming jaarlijks premies betaalt voor de opbouw van een verzekerd kapitaal, ofwel een voorziening voor risico's en kosten aanleggen om het beloofde pensioenkapitaal uit eigen middelen te betalen (artikel 48 WIB 92).

De fiscale administratie heeft zich nooit akkoord verklaard met het systeem van fiscaal aftrekbare interne pensioenvoorzieningen. Verschillende hoven van beroep (Gent, 16 juni 1994; Antwerpen, 8 mei 1995, en 28 juni 1995) hebben de fiscale administratie echter in het ongelijk gesteld.

In een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 juni 1996, kwam deze materie opnieuw aan de orde. De fiscale administratie verwijst naar een antwoord van de minister van Economische Zaken op een schriftelijke vraag (vraag nr. 365 van 18 november 1994 van de heer de Clippele, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1994-1995, nr. 136, blz. 14342).

Nochtans is deze wet geschreven voor professionele verzekeraars en niet voor ondernemingen die op toevallige en niet-systematische wijze toekenningen van pensioenvoorwaarden verrichten. Die onduidelijke toestand leidt tot rechtsonzekerheid.

1. Is een dergelijke provisionering van rechtspraak en rechtsleer fiscaal aftrekbaar ?

2. Waarom weigert de fiscale administratie rekening te houden met de arresten van de hoven van beroep van Gent en Antwerpen?

ANTWOORD

De door het geacht lid gestelde vraag heeft klaarblijkelijk betrekking op het geval waarbij door een vennootschap een voorziening wordt aangelegd in verband met een ten aanzien van haar bedrijfsleider (voorheen bestuurder of vennoot) aangegane extra wettelijke pensioenverplichting.

Dienaangaande kan ik het geacht lid mededelen dat op de parlementaire vraag nr. 45 van 19 maart 1996, gesteld door senator Hatry, de minister van Economie heeft geantwoord dat interne provisionering voor pensioenbelofte niet mogelijk is wanneer de toekenning van bijkomende pensioenen het voorwerp uitmaakt van een stelsel dat georganiseerd is door de onderneming.

Deze systematisering spruit meer bepaald voort uit het bestaan van een pensioenreglement. Dit reglement bepaalt de rechten en de verplichtingen inzake de pensioenen van een of meerdere personeelscategorieën. Een categorie kan al het personeel van de onderneming omvatten, of in tegenstelling daarmee, een enkele persoon, op voorwaarde dat het behoren tot een categorie op algemene en abstracte manier gedetermineerd wordt, en dat de rechten en verplichtingen, bepaald door het reglement, elke persoon betreffen die deel uitmaakt of zal uitmaken van deze categorie.

In deze veronderstelling is de werkgever verplicht om een pensioenfonds samen te stellen, hetzij onder de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel, hetzij onder de vorm van een onderlinge verzekeringsmaatschappij. Hij kan eveneens beroep doen op een groepsverzekering of op een bedrijfsleidersverzekering.

Daarentegen zou een interne provisionering nog toegelaten zijn wanneer het voordeel duidelijk op occasionele en niet-systematische wijze wordt toegekend, wat het geval is wanneer het voordeel wordt toegekend aan een welbepaalde persoon, om persoonsgebonden redenen, en niet aan de personeelscategorie waartoe deze persoon behoort (Vragen en Antwoorden, Senaat, 1995-1996, nr. 1-24 van 23 juli 1996, blz. 1191-1192).

De voormelde zienswijze heeft in principe eveneens uitwerking op het fiscale vlak.

Rekening houdend met het voormelde kan bovendien de vrijstelling van de tijdens een belastbaar tijdperk aangelegde voorziening slechts worden verleend voor zover voldaan is aan de terzake gestelde voorwaarden, inzonderheid (zie artikel 24 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992):

  • dat de kosten ter bestrijding waarvan de voorziening is aangelegd aftrekbaar zijn als beroepskosten;
  • dat die kost kan geacht worden normaal op de uitslagen van dat tijdperk te drukken.


Wel te verstaan moet de waardering van een dergelijke voorziening gebeuren tegen actuele waarde en niet tegen nominale waarde.