Parlementaire vraag nr. 748 van de heer Hendrickx van 10.07.2001
VRAAG 01/748
Vraag nr. 748 van de heer Hendrickx dd. 10.07.2001
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 141, blz. 17858-17860
Bull. nr. 837, pag. 1456-1459
Aangiftetermijn - Aanvulling aangifte - Ambtshalve ontheffing.
VRAAG
Herhaaldelijk wordt mijn aandacht gevestigd op het feit dat antwoorden op onze vragen zeer onduidelijk, juridisch dubbelzinnig en zelfs opportunistisch opgesteld worden. Niettegenstaande dat in dubio contra fiscum betekent dat de twijfel de belastingplichtigen tot voordeel strekt, worden deze dubbelzinnige antwoorden door de administratie gebruikt tegen de belastingplichtigen ofschoon de fiscale wetten van openbare orde zijn.
In ieder geval is het niet aan de administratie om op eigen houtje het toepassingsveld uit te breiden tot domeinen die niet uitdrukkelijk voorzien zijn in de wettekst.
Ambtenaren hebben tot enige en absolute taak de wetten te kennen en deze zorgvuldig toe te passen. Zij hebben geen macht om de wetten uit te breiden, bijzonderheden of voorwaarden eraan toe te voegen of op basis van opportunisme niet in de wet voorziene interpretaties eraan te geven. Zeker mogen zij geen circulaires gebruiken, zelfs niet ter ondersteuning van hun interpretatie om hun gelijk te bewijzen. Circulaires zijn interne documenten die niet objectief of neutraal zijn opgesteld vermits deze alleen door de ambtenaren zelf worden opgesteld.
De rechtszekerheid, het behoorlijk bestuur, het opgewekt vertrouwen, de openbaarheid van bestuur en de motiveringsplicht zijn heilige principes die zowel gelden voor de administratie als voor de belastingplichtigen.
Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is van openbare orde en het is niet toegelaten aan de administratie om bijkomende elementen toe te voegen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet doorkruisen het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. De niet-naleving heeft als sanctie de nietigheid van de aanslag.
1. Bent u de mening toegedaan dat de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar, artikel 354, eerste lid, WIB 1992, van openbare orde is?
2. Bent u de mening toegedaan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de belastingwetten doorkruisen, waardoor de administratie niet meer rechten heeft dan de belastingplichtigen, zelfs integendeel?
3. Bent u de mening toegedaan dat de belastingplichtige het recht heeft om zijn belastingaangifte in min te corrigeren - hierdoor een eerder begane materiële vergissing rechtzetten - indien blijkt dat hij teveel heeft aangegeven en verschillende posten die hij in mindering kon brengen nagelaten heeft te valoriseren, gebruikmakend van zijn grondwettelijk recht, zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en zoals bepaald in artikel 354 WIB 1992 recht heeft op de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar?
4. Bent u de mening toegedaan dat de administratie het recht heeft om de meest belastbare weg te kiezen volgens het WIB 1992?
5. Bent u de mening toegedaan dat iedere belastingplichtige het recht heeft om de minst belastbare weg te bewandelen, waardoor hij gebruik mag maken van allerlei juridische constructies, voor zover hij er alle gevolgen van aanvaardt en geen wettelijke verplichtingen schendt?
6. Bent u de mening toegedaan dat de administratie ten dienste staat van de belastingplichtige en alles in het werk moet stellen opdat de belastingplichtige de minst belastbare weg kiest?
7. Bent u de mening toegedaan dat het de taak is van de overheid om de aangiften van de belastingplichtigen aan te passen en te garanderen dat de belastingplichtige de minst belastbare weg kiest?
8. Bent u de mening toegedaan dat de administratie als hoogste plicht heeft om een materiële vergissing, begaan bij de berekening van de belasting, recht te zetten en bij de vaststelling van de bijkomende aanslag de administratie rekening moet houden met alle gegevens die wettelijk voorhanden zijn om de minst belastbare aanslag te garanderen?
9. Welk verhaal heeft de belastingplichtige indien blijkt dat de administratie nagelaten heeft de minst belastbare weg aan te tonen?
10. Bent u de mening toegedaan dat, indien blijkt dat de belastingplichtige te veel belastingen betaald heeft, en de overheid nagelaten heeft hem te verwittigen dat hij niet de minst belastbare weg gekozen heeft, het teveel aan belastingen betaald mag beschouwen als een schenking aan de overheid en mag aftrekken van zijn te betalen belastingen die hij eventueel verschuldigd zal zijn in de toekomst?
ANTWOORD
Ik verwijs het geachte lid naar het antwoord verstrekt op zijn vraag nummer 681 van 4 mei 2001 (Vragen en antwoorden, Kamer, 20012002, nr. 105, blz. 12328).
Ik voeg hieraan toe dat de administratieve onderrichtingen voorschrijven dat de klaarblijkelijke misslagen die de belastingplichtige in zijn nadeel heeft begaan en die worden opgemerkt voor de vestiging van de aanslag, van ambstwege moeten worden verbeterd.
Overigens veroorlooft geen enkele wettelijke bepaling aanvullende aangiften over te leggen nadat de verleende termijn is verstreken. Daar de termijnen in belastingzaken van openbare orde zijn, kan een van de belastingplichtige uitgaande brief om zijn tijdig ingediende aangifte te verbeteren en aan te vullen, niet als een bijlage bij die aangifte of als een integrerend deel ervan worden beschouwd. Een buiten de wettelijke termijn aangebrachte wijziging vormt een verbetering van een aangifte waarvan de belastingplichtige aldus impliciet de onjuistheid erkent. Het spontaan karakter van de wijziging wordt in aanmerking genomen voor de beoordeling van de eventuele toepasselijke sancties.
Voor zover de materiële vergissing door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie werd bekendgemaakt na de vestiging van de aanslag en binnen de drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd, kan een ambtshalve ontheffing van de overbelasting worden verleend.
Het door het geachte lid uitgebrachte voorstel van een verrekening van de belasting door de belastingplichtige is niet voorzien in de belastingwet.
Vraag nr. 748 van de heer Hendrickx dd. 10.07.2001
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 141, blz. 17858-17860
Bull. nr. 837, pag. 1456-1459
Aangiftetermijn - Aanvulling aangifte - Ambtshalve ontheffing.
VRAAG
Herhaaldelijk wordt mijn aandacht gevestigd op het feit dat antwoorden op onze vragen zeer onduidelijk, juridisch dubbelzinnig en zelfs opportunistisch opgesteld worden. Niettegenstaande dat in dubio contra fiscum betekent dat de twijfel de belastingplichtigen tot voordeel strekt, worden deze dubbelzinnige antwoorden door de administratie gebruikt tegen de belastingplichtigen ofschoon de fiscale wetten van openbare orde zijn.
In ieder geval is het niet aan de administratie om op eigen houtje het toepassingsveld uit te breiden tot domeinen die niet uitdrukkelijk voorzien zijn in de wettekst.
Ambtenaren hebben tot enige en absolute taak de wetten te kennen en deze zorgvuldig toe te passen. Zij hebben geen macht om de wetten uit te breiden, bijzonderheden of voorwaarden eraan toe te voegen of op basis van opportunisme niet in de wet voorziene interpretaties eraan te geven. Zeker mogen zij geen circulaires gebruiken, zelfs niet ter ondersteuning van hun interpretatie om hun gelijk te bewijzen. Circulaires zijn interne documenten die niet objectief of neutraal zijn opgesteld vermits deze alleen door de ambtenaren zelf worden opgesteld.
De rechtszekerheid, het behoorlijk bestuur, het opgewekt vertrouwen, de openbaarheid van bestuur en de motiveringsplicht zijn heilige principes die zowel gelden voor de administratie als voor de belastingplichtigen.
Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is van openbare orde en het is niet toegelaten aan de administratie om bijkomende elementen toe te voegen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet doorkruisen het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. De niet-naleving heeft als sanctie de nietigheid van de aanslag.
1. Bent u de mening toegedaan dat de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar, artikel 354, eerste lid, WIB 1992, van openbare orde is?
2. Bent u de mening toegedaan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de belastingwetten doorkruisen, waardoor de administratie niet meer rechten heeft dan de belastingplichtigen, zelfs integendeel?
3. Bent u de mening toegedaan dat de belastingplichtige het recht heeft om zijn belastingaangifte in min te corrigeren - hierdoor een eerder begane materiële vergissing rechtzetten - indien blijkt dat hij teveel heeft aangegeven en verschillende posten die hij in mindering kon brengen nagelaten heeft te valoriseren, gebruikmakend van zijn grondwettelijk recht, zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en zoals bepaald in artikel 354 WIB 1992 recht heeft op de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar?
4. Bent u de mening toegedaan dat de administratie het recht heeft om de meest belastbare weg te kiezen volgens het WIB 1992?
5. Bent u de mening toegedaan dat iedere belastingplichtige het recht heeft om de minst belastbare weg te bewandelen, waardoor hij gebruik mag maken van allerlei juridische constructies, voor zover hij er alle gevolgen van aanvaardt en geen wettelijke verplichtingen schendt?
6. Bent u de mening toegedaan dat de administratie ten dienste staat van de belastingplichtige en alles in het werk moet stellen opdat de belastingplichtige de minst belastbare weg kiest?
7. Bent u de mening toegedaan dat het de taak is van de overheid om de aangiften van de belastingplichtigen aan te passen en te garanderen dat de belastingplichtige de minst belastbare weg kiest?
8. Bent u de mening toegedaan dat de administratie als hoogste plicht heeft om een materiële vergissing, begaan bij de berekening van de belasting, recht te zetten en bij de vaststelling van de bijkomende aanslag de administratie rekening moet houden met alle gegevens die wettelijk voorhanden zijn om de minst belastbare aanslag te garanderen?
9. Welk verhaal heeft de belastingplichtige indien blijkt dat de administratie nagelaten heeft de minst belastbare weg aan te tonen?
10. Bent u de mening toegedaan dat, indien blijkt dat de belastingplichtige te veel belastingen betaald heeft, en de overheid nagelaten heeft hem te verwittigen dat hij niet de minst belastbare weg gekozen heeft, het teveel aan belastingen betaald mag beschouwen als een schenking aan de overheid en mag aftrekken van zijn te betalen belastingen die hij eventueel verschuldigd zal zijn in de toekomst?
ANTWOORD
Ik verwijs het geachte lid naar het antwoord verstrekt op zijn vraag nummer 681 van 4 mei 2001 (Vragen en antwoorden, Kamer, 20012002, nr. 105, blz. 12328).
Ik voeg hieraan toe dat de administratieve onderrichtingen voorschrijven dat de klaarblijkelijke misslagen die de belastingplichtige in zijn nadeel heeft begaan en die worden opgemerkt voor de vestiging van de aanslag, van ambstwege moeten worden verbeterd.
Overigens veroorlooft geen enkele wettelijke bepaling aanvullende aangiften over te leggen nadat de verleende termijn is verstreken. Daar de termijnen in belastingzaken van openbare orde zijn, kan een van de belastingplichtige uitgaande brief om zijn tijdig ingediende aangifte te verbeteren en aan te vullen, niet als een bijlage bij die aangifte of als een integrerend deel ervan worden beschouwd. Een buiten de wettelijke termijn aangebrachte wijziging vormt een verbetering van een aangifte waarvan de belastingplichtige aldus impliciet de onjuistheid erkent. Het spontaan karakter van de wijziging wordt in aanmerking genomen voor de beoordeling van de eventuele toepasselijke sancties.
Voor zover de materiële vergissing door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie werd bekendgemaakt na de vestiging van de aanslag en binnen de drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd, kan een ambtshalve ontheffing van de overbelasting worden verleend.
Het door het geachte lid uitgebrachte voorstel van een verrekening van de belasting door de belastingplichtige is niet voorzien in de belastingwet.
Bron: FisconetPlus
