Parlementaire vraag nr. 279 van de heer Cortois van 27.02.2004

VRAAG 04/279
Vraag nr. 279 van de heer Cortois dd. 27.02.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 30, blz. 4629-4631
Pensioenen - Arbeidsongevallen en beroepsziekten - Ambtshalve ontheffing - Bezwaar
VRAAG
Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen werd reeds herhaaldelijk gewijzigd, onder meer met betrekking tot de pensioenen, de lijfrenten of de vergoedingen toegekend bij arbeidsongevallen of beroepsziekten, die van belastingen vrijgesteld zijn voor zover het niet gaat om vergoedingen voor een definitief verlies van winsten, bezoldigingen of baten.
De administratie kreeg opdracht ambtshalve de nodige correcties door te voeren met ingang van het dienstjaar 1999.
Veel belastingbetalers die laattijdig op de hoogte werden gesteld van deze ommezwaai in de jurisprudentie en de gewijzigde wetsbepalingen als gevolg, hebben te goeder trouw voor de vorige jaren aangifte gedaan van bovenvermelde inkomsten die feitelijk niet onderworpen waren aan belastingaanslagen, en hebben bezwaarschriften ingediend aangezien de termijn voor het indienen van een klacht was verlopen, dit op basis van artikel 376, WIB 1992.
Dit artikel voorziet dat de gewestelijke directeur van de belastingen ambtshalve de ontheffing moet toekennen van de verhoogde belasting voortvloeiend uit materiële vergissingen, dubbel gebruik of in het licht van nieuwe onbetwistbare documenten of feiten, laattijdig ingediend door de belastingplichtige doch niettemin om geldige redenen gewettigd. Deze verhoogde belasting moet ter kennis gebracht worden van de fiscale administratie binnen de drie jaar met ingang van 1 januari van het jaar van het vastleggen van de belastingen.
De minister heeft bevestigd dat een arrest van het Arbitragehof een nieuw element kan zijn voor het indienen van een aanvraag voor ambtshalve ontheffing. Deze aanvraag moet echter ingediend worden vóór de termijn voor het indienen van een klacht is verlopen.
Toch lijkt er geen eenvormigheid te bestaan inzake de toepassing van de jurisprudentie door de rechtbanken. In eerste aanleg werden belastingplichtigen op basis van artikel 376, WIB 1992 in het gelijk gesteld in Brugge en Bergen, terwijl in Antwerpen en Hasselt de thesis werd gevolgd van de administratie die er van uitgaat dat iedere burger het Belgisch Staatsblad iedere dag dient te lezen, en ook kennis dient te nemen van de arresten van het Arbitragehof.
Aangezien van het Belgisch Staatsblad nog slechts drie exemplaren worden gedrukt en de burgers van de inhoud enkel via de website kennis kunnen nemen, lijkt de stelling van de belastingdiensten te grenzen aan het absurde.
Kan u in die omstandigheden klaarheid scheppen in dit opzicht en uw diensten duidelijke richtlijnen geven die een einde kunnen maken aan de bestaande verwarring en de gelijkheid van alle burgers voor de wet kunnen verzekeren?
ANTWOORD (minister van Financiën, 29.04.2004)
Overeenkomstig artikel 4, § 2, van de wet van 19 juli 2000 tot wijziging van de artikelen 34, § 1, en 39 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), wordt wanneer de administratie ervan in kennis wordt gesteld of vaststelt dat voor het aanslagjaar 1999 een aanslag is gevestigd in strijd met de bepalingen van artikel 3 van die wet, de daarmee overeenstemmende rechtzetting uitgevoerd via het kohier.
Die procedure is dus beperkt tot het aanslagjaar 1999, inkomsten 1998.
Voor de aanslagjaren 1998 en vorige is een ambtshalve ontheffing overeenkomstig artikel 376, WIB 1992 slechts mogelijk indien op 19 maart 1999, dat wil zeggen op de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van het arrest nummer 132/98 van 9 december 1998 van het Arbitragehof, de bezwaartermijn voor die aanslagjaren verstreken was.
Was de bezwaartermijn op 19 maart 1999 niet verstreken dan diende herziening van de aanslag te worden gevraagd via een bezwaarschrift. De bezwaarprocedure is immers de algemene regelen de ontheffing van ambtswege slechts een uitzonderingsprocedure zodat de mogelijkheden tot toepassing van die laatste procedure van strikte interpretatie zijn. Na de publicatie van het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 1999 heeft de belastingplichtige geen wettige reden meer om na de bezwaartermijn het nieuwe feit aan te voeren.
Het hof van beroep te Antwerpen heeft in een arrest van 18 november 2003 (nummer 2003/AR/498) de stelling van de administratie bevestigd.
Voor de aanslagjaren die voorafgaan aan het aanslagjaar 1999 is een rechtzetting dus alleen mogelijk wanneer de betrokkene daartoe binnen de terzake gestelde termijnen een bezwaarschrift of verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing heeft ingediend.
In de loop van de maand augustus 2000 heb ik tezamen met de directeur-generaal van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, op basis van de gegevens van de uitbetalingsinstellingen die dergelijke vergoedingen betalen, een informatiebrochure op 300 000 exemplaren aan de betrokkenen toegestuurd, waarin voormelde vrijstellingsregeling, evenals de procedures tot rechtzetting zijn uiteengezet.
Die brochure maakt eveneens deel uit van een instructie van 5 september 2000 aan alle diensten van de sector taxatie - natuurlijke personen van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit.
Er bestaat dus mijns inziens geen enkele onduidelijkheid terzake zelfs zo bepaalde rechtbanken van eerste aanleg een afwijkend standpunt innemen vermits de administratie systematisch tegen die uitspraken hoger beroep instelt en zelfs ondanks het feit dat de rechtbank van eerste aanleg te Bergen in twee vonnissen van 29 januari 2004 het nuttig oordeelde een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof.
Overigens wordt het standpunt van de administratie betreffende de juridische draagwijdte van arresten van het Arbitragehof duidelijk uiteengezet in de circulaire nr. Ci.RH.862/536.019 van 4 mei 2001.