Parlementaire vraag nr. 44 van de heer Steven Matheï van 01.10.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/002 d.d. 08.11.2024, blz. 217
Belastingvermindering kinderopvang
VRAAG (van de heer Matheï)
Artikel 145(35), tweede lid, 4° WIB92 stelt als voorwaarde voor het verkrijgen van de belastingvermindering voor kinderopvang, dat de gedane uitgaven moeten worden verantwoord via het modelattest dat wordt opgemaakt door de instelling die de kinderopvang heeft georganiseerd. Betekent dit dat een burger geen recht heeft op de belastingvermindering indien het modelattest niet correct werd opgemaakt door de instelling die instaat voor de kinderopvang? Indien het antwoord op de vraag positief is, vindt u deze uitkomst rechtvaardig? Indien het antwoord op de vraag negatief is, welke stappen dient een burger te ondernemen om alsnog de belastingvermindering te verkrijgen indien de instelling een foutief attest heeft afgeleverd maar hij wel aan alle andere voorwaarden voor de belastingvermindering voldoet?
ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)
Om aanspraak te kunnen maken op de belastingvermindering, moet de belastingplichtige overeenkomstig de wettekst beschikken over een attest volgens een model bepaald door de Koning. Wanneer een belastingplichtige niet beschikt over een attest opgemaakt volgens dit model, is niet aan alle wettelijke voorwaarden voldaan en heeft hij geen recht op de belastingvermindering. Een belastingplichtige die een foutief attest ontving, dient zich in eerste instantie te wenden tot de kinderopvanginstantie die het attest afleverde, om een correctie aan te vragen. De opvanginstanties - die aan alle wettelijke voorwaarden voldoen - zijn immers wettelijk verplicht om een correct fiscaal attest af te leveren. Het is dus hun verantwoordelijkheid om het attest zo nodig recht te zetten. Indien de betreffende kinderopvanginstantie ondanks herhaaldelijke vragen daaromtrent toch in gebreke blijft, kan de belastingplichtige aanspraak maken op een geval van overmacht. Het dient daarbij benadrukt te worden dat het over een uitzonderingsregeling gaat. Het volstaat niet dat de belastingplichtige zich zonder meer op overmacht beroept. Hij of zij dient duidelijk te motiveren en te staven dat het een onvoorzienbare situatie betreft die zich buiten zijn wil om voordeed en die hij of zij niet zelf ongedaan kon maken. De belastingplichtige moet de nodige bewijsstukken in zijn bezit hebben en ter beschikking van de administratie houden.
