Parlementaire vraag nr. 22492 van mevrouw Veerle Wouters en vraag nr. 22500 van de heer Luk Van Biesen van 19.03.2014

Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën, 2013-2014, CRIV 53 COM 953 dd. 19.03.2014, blz. 15

Het tarief van toepassing op liquidatieboni

Voorschotten

VRAAG (van mevrouw Wouters)

Mijnheer de minister, uit de vele gesprekken en contacten met de bedrijfswereld blijkt dat de verhoging van de roerende voorheffing met 150 % op de liquidatieboni de gemoederen blijft beroeren bij vele ondernemers en bedrijfsleiders. Over de verhoging tot 25 % rijzen ook nog een aantal fiscaaltechnische vragen. Zo rijst de vraag of de voorschotten die werden toegekend vóór 1 oktober 2014 op vereffeningen die pas worden afgesloten na 1 oktober 2014 onderhevig zijn aan een tarief van roerende voorheffing van 10 % of 25 %. De rechtsleer is daarover verdeeld. De rulingdienst beschouwt de toekenning van een voorschot op de liquidatiebonus als een toekenning van een dividend, in de zin van artikel 18, 2ter, van het WIB92. Bijgevolg is de vereffenaar verplicht bij de toekenning van zo 'n voorschot een roerende voorheffing in te houden. Ik verwijs naar de voorafgaande beslissing van 16 september 2008, nr. 800/245. Volgens het huidig artikel 171, ten tweede, f, en artikel 269, ten vijfde, van het WIB 92 is het tarief 10 %. Vanaf 1 oktober 2014 worden die artikelen opgeheven. De aanslagvoet op zulke uitkeringen zal daardoor vanaf 1 oktober 2014 25 % bedragen. Naar mijn mening wijst het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 juni 2004, nr. 111/2004 de richting van het antwoord aan. In de rechtsoverweging B12 lezen wij dat inzake de roerende voorheffing op vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen de belastingschuld definitief ontstaat op de datum van de toekenning of betaalbaarstelling van de uitkeringen waarop de roerende voorheffing is verschuldigd. Voor de aandeelhouders of vennoten ontstaat de fiscale schuld in de globale inkomstenbelasting op de laatste dag van het belastbaar tijdperk om 24 uur. Mijnheer de minister, bent u het eens dat de uitkering van een voorschot op de liquidatieboni vóór 1 oktober 2014 onderworpen is aan een roerende voorheffing van 10 % en vanaf deze datum aan 25 %, ongeacht wanneer de vereffening wordt afgesloten? Heeft de opheffing van artikel 171, ten tweede, f, WIB 92 en dat vanaf 1 oktober 2014 tot gevolg dat, ongeacht of de vereffening vóór die datum wordt afgesloten, in de personenbelasting het tarief op alle voorschoten en vereffeningssaldi toegekend of betaalbaar gesteld in 2014, onderworpen zijn aan 25 %? Immers, dat tarief geldt op 31 december 2014, zijnde het tijdstip waarop volgens het Grondwettelijk Hof het belastbaar feit in de personenbelasting zich voltrekt. Geldt het bevrijdend karakter van de roerende voorheffing ook in het geval er 10 % roerende voorheffing werd ingehouden op een voorschot of vereffeningssaldo, toegekend vóór 1 oktober 2014, terwijl het tarief op 31 december 2014 25 % bedraagt? Met andere woorden, wat moeten wij verstaan onder de voorwaarden "dat er daadwerkelijk roerende voorheffing werd ingehouden" om vrijstelling van aangifteplicht volgens artikel 313 WIB 92 te krijgen?

ANTWOORD (van de Minister van Financiên)

Voorschotten op dividenden moeten volgens mijn administratie voor de toepassing van de inkomstenbelasting als dividenden worden aangemerkt. Dat heeft tot gevolg dat de toekenning of betaalbaarstelling van dergelijke voorschotten de roerende voorheffing verschuldigd maakt, ongeacht of die voorschotten al dan niet worden toegekend door een vennootschap in vereffening. Onder voorbehoud van gevallen waarin er mogelijkerwijze sprake zou kunnen zijn van misbruik, volgt daaruit dat de aanslagvoet van de roerende voorheffing met betrekking tot voorschotten op liquidatieboni hetzij 10 % bedraagt, hetzij 25, al naargelang die voorschotten zijn verleend of toegekend vóór of na 1 oktober 2014. Onder hetzelfde voorbehoud is het ogenblik waarop de voorheffing wordt gesloten, maar ook de vereffening wordt afgesloten, daarbij zonder belang. Het tarief in de personenbelasting op de voorschotten van liquidatieboni wordt in principe eveneens bepaald door het tijdstip van de toekenning of betaalbaarstelling van de vermelde roerende inkomsten. Aangezien de toepasselijke aanslagvoet met betrekking tot de in 2014 uitgekeerde voorschotten op liquidatieboni, zowel inzake de roerende voorheffing als de personenbelasting, in principe bepaald wordt door de datum van toekenning of betaalbaarstelling, vóór of vanaf 1 oktober 2014, is de vraag over het bevrijdend karakter van de roerende voorheffing zonder voorwerp.

CONCLUSIE (van mevrouw Wouters)

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijk antwoord. Ik hoop dat er nu meer duidelijkheid en zekerheid komt voor onze ondernemers en bedrijfsleiders.