Parlementaire vraag nr. 1043 van mevrouw de Bethune van 12.12.2000
VRAAG 00/1043
Vr. en Antw., Senaat, 2001-2002, nr. 2-51, blz. 2713-2714
Bull. nr. 835, pag. 640-643
Uitgave voor kinderoppas - Toeslag op de belastingvrije som - Kind ten laste - Feitelijke scheiding - Invordering op de goederen van de echtgenoot - Vrijstelling van de premies - Schuldenaar van de OV
VRAAG
Omdat het bevorderen van gelijke kansen een horizontale materie betreft, en dus op alle niveaus en in alle beleidsmaatregelen dient te gebeuren, is het de verantwoordelijkheid van alle ministers en staatssecretarissen om een concreet, zichtbaar, herkenbaar, meetbaar en controleerbaar gelijke-kansenbeleid voor vrouwen en mannen te ontwikkelen.
Ook tijdens de vierde UNO-Vrouwenconferentie in Peking (1995) werd benadrukt dat het nastreven van gelijke kansen voor vrouwen en mannen een belangrijke politieke prioriteit is op elk politiek niveau. Het slotdocument - Platform for Action roept de regeringen daarom op om een gender-perspectief te integreren in alle beleidsmaatregelen en op alle beleidsdomeinen. Bedoeling van dit "mainstreamen" is de impact van beleidsmaatregelen op het leven van vrouwen en mannen te bestuderen en na te gaan in welke mate er rekening wordt gehouden met hun respectievelijke behoeften.
Krachtens de wet van 6 maart 1996 strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie in Peking heeft de federale regering de verplichting jaarlijks verslag uit te brengen aan het federale Parlement over het beleid gevoerd overeenkomstig de doelstellingen van deze conferentie.
Bij gebrek aan verslag vanuit uw departement had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen:
1. Welke concrete beleidsmaatregelen en acties hebt u in 2000 genomen, ter bevordering van de gelijke kansen van vrouwen en mannen, en met welk resultaat?
2. Hoeveel werd in 2000 effectief uitgegeven (volgens de rekeningen), in globo en per post, ter bevordering van de gelijke kansen van vrouwen en mannen binnen uw bevoegdheidsdomein?
ANTWOORD (minister van Financiën)
Het geachte lid vindt hierna de antwoorden op de door haar gestelde vragen.
Vraag 1
1. Kosten voor kinderopvang
Door de verhoging van het aftrekbare bedrag van dergelijke kosten kunnen vrouwen worden aangezet om actiever te zijn op de arbeidsmarkt. Concreet zijn de volgende maatregelen genomen:
- ingevolge de wet van 24 december 1999 [V 2791 - Bull. 801.] wordt de bijkomende toeslag die wordt toegekend voor ieder kind jonger dan drie jaar voor wie de kosten voor kinderopvang niet worden afgetrokken, verhoogd van 10 000 frank tot 13 000 frank (325 euro). Daarnaast wordt met een koninklijk besluit van 27 januari 2000 [ V 2795 - Bull. 802.] het hoogst aftrekbare bedrag van de uitgaven voor een kinderoppas, aftrekbaar van de belastbare inkomsten in de personenbelasting, gewijzigd. Dit bedrag wordt gebracht van 345 frank tot 450 frank per oppasdag en per kind. Deze bepalingen zijn van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2000;
- de wet van 23 maart 2001 tot wijziging van het artikel 104, 7°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992 - Belgisch Staatsblad van 12 mei 2001) [ V 2932 - Bull. 816. ] bepaalt dat voortaan de aftrekbaarheid van de kosten voor kinderopvang wordt verhoogd tot 100 % voor kinderen jonger dan drie jaar. De verhoging zal gelden vanaf het aanslagjaar 2001, inkomsten 2000.
2. Comité van deskundigen
Binnen het departement werd een comité van deskundigen opgericht, dat zowel bestaat uit ambtenaren als uit leden van buiten de ambtenarij, en dat belast is met de inventarisatie van de fiscale bepalingen, die nog strijdig zouden zijn met de gelijkheid van mannen en vrouwen.
3. Hervorming van de personenbelasting
In het inmiddels goedgekeurde wetsontwerp houdende hervorming van de personenbelasting zitten de volgende maatregelen ter bevordering van de gelijke kansen van man en vrouw:
- artikel 145^4, WIB 1992, maakt een onderscheid tussen mannen en vrouwen inzake de leeftijd tot dewelke zij een contract kunnen sluiten en tussen de leeftijd vanaf dewelke ze voordelen kunnen bedingen. Die leeftijd is voor mannen 65 jaar en voor vrouwen 60 jaar.
Dit onderscheid wordt weggewerkt door de leeftijd eenvormig op 65 jaar vast te leggen;
- artikel 252, WIB 1992, dat bepaalt dat de onroerende voorheffing op de persoonlijke goederen van de vrouw mag worden ingekohierd op de naam van de man, wordt opgeheven;
- wat de invordering van de belastingen betreft, wordt in artikel 394, WIB 1992, een bepaling ingevoerd waardoor de belasting die verband houdt met het belastbare inkomen vanaf het tweede jaar na feitelijke scheiding, niet meer kan worden verhaald op de inkomsten van de andere echtgenoot en op de goederen die met die inkomsten verworven zijn. Een dergelijke maatregel komt vooral ten goede van de vrouwen.
Vraag 2
Aangezien mijn administratie niet beschikt over statistieken die verband houden met de uitgaven die betrekking hebben op het gelijkekansenbeleid, is het niet mogelijk de gevraagde inlichtingen te verstrekken.
Bron: FisconetPlus
