Parlementaire vraag nr. 582 van de heer de Clippele van 27.05.1993
Bull. nr. 733, pag. 3496
Forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.
Sommige controleurs halen naar verluidt bepalingen van het nieuwe WIB 1992 aan in een zin die niet overeenstemt met de bepalingen zoals die voor de coördinatie van kracht waren. Zij passen in feite de onderrichtingen toe vervat in een rondzendbrief van 8 april 1993 van de Administratie der directe belastingen.
Die rondzendbrief heeft betrekking op de brutering van het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting (FGBB) ingeval een overeenkomst tot voorkoming van de dubbele belasting met een "taxsparing"-clausule bestaat.
Voor het aanslagjaar 1992 hebben de belastingplichtigen ter zake artikel 29 van de wet van 7 december 1988 toegepast, aangezien de coördinatie dan nog niet was aangenomen.
Om het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting te berekenen dat verrekend moet worden in de belastbare grondslag, dient te worden verwezen naar § 3 van artikel 29, waarin met betrekking tot de interesten gesteld wordt dat"het aftrekbaar gedeelte evenwel bepaald is volgens een breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, beperkt tot vijftien, en de noemer gelijk is aan honderd verminderd met het cijfer van de teller".
Ingeval een "taxsparing"-clausule bestaat, bedraagt die breuk 0/100-0 = 0. Er hoeft dus niets in de belastbare grondslag te worden verrekend.
In haar rondzendbrief verwijst de administratie naar het nieuwe artikel 37 van het WIB 1992.
De administratie stelt vervolgens dat de artikelen 286 en 287 de verrekening van het FGBB in de belastbare grondslag niet regelen maar enkel het bedrag ervan vaststellen, onder voorbehoud van afwijkende bepalingen. In geval een "tax sparing"-clausule bestaat, moet het bedrag vanhet werkelijk verrekende FGBB aan het belastbaar inkomen worden toegevoegd. Tot staving van haar argumentatie verwijst de administratie naar de analogie met de fictieve roerende voorheffing.
Een dergelijke interpretatie is betwistbaar. Er bestaat geen enkele uitdrukkelijke bepaling die de toepassing van die bepalingen uitsluit ingeval overeenkomsten tot voorkoming van de dubbele belasting bestaan. Tevens is de vergelijking met de fictieve roerende voorheffing niet relevant, daar ter zake een uitdrukkelijke bepaling bestaat (namelijk § 1 van artikel 29 van de wet van 7 december 1988, correct gecoördineerd in artikel 37 van het WIB 1992) die in de verrekening van de fictieve roerende voorheffing in de belastbare grondslag voorziet.
Wat is de juiste interpretatie?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geacht lid mee te delen dat de interpretatie die de Administratie der directe belastingen heeft gegeven in de circulaire nr. CI.R9.Div./449.830van 8 april 1993 inzake de bepalingen met betrekking tot de opneming van het FBB in het belastbare inkomen (stelsel van de"brutering"), wanneer een overeenkomst tot het voorkomen van dubbele belasting afwijkt van de regels die in het Wetboek vande inkomstenbelastingen (WIB) op het gebied van de verrekening van buitenlandse belastingen zijn vastgelegd, wel degelijk de juiste interpretatie is.
Artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) is in dat opzicht duidelijk. Het bepaalt dat de netto-inkomsten van roerende goederen en kapitalen "het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting" omvatten.
De artikelen 285 tot 289, die zijn opgenomen in het WIB 1992, afdeling IV van hoofdstuk II (titelVI) inzake de verrekening van de voorheffingen, regelen de verrekening van de FBB, onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen in de overeenkomst tot het voorkomen van dubbele belasting. Vanaf het ogenblik dat die afwijkende bepalingen, die voorrang genieten, toepassing vinden, wordt het bedrag van het verrekenbare FBB vastgesteld ingevolge het interne recht, vervangen door het bedrag van het verrekenbare FBB vastgesteld ingevolge de overeenkomst.
In de mate dat geen enkele bepaling van het verdragsrecht de modaliteiten van de opneming van het FBB in de belastbare grondslag regelt, moet men steunen op de bepalingen van het interne recht. Aangezien daarin niet wordt aangegeven welk bedrag van het FBB moet worden opgenomen in de belastbare grondslag, kan men slechts een beroep doen op de regels met betrekking tot de verrekening van het FBB. Vermits de overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting ter zake van de verrekening van buitenlandse belastingen voorrang hebben op het interne recht, moet dus inderdaad het ingevolge die overeenkomsten bepaalde verrekenbare FBB in aanmerking worden genomen om de"brutering" toe te passen.
Het voormelde standpunt is conform het antwoord dat ik het geacht lid heb gegeven op zijn vraag nr. 242 van 1 oktober 1992 (zie bulletin van Vragen enAntwoorden, Kamer, gewone zitting 1992-1993, nr. 33, van 3 november1992, blz. 2277).
